|
Article on other languages: |
Bloedonderzoek is een algemene naam voor alle bepalingen die worden gedaan in van de patiënt afgetapt bloed.
MethodeBloedafname gebeurt door een holle naald in een bloedvat te brengen en het bloed in een gedeeltelijk vacuüm gezogen buisje te laten lopen. Vroeger werd het ook wel opgezogen met een spuit, maar deze techniek is voor routinematig gebruik niet veilig en wordt behalve onder bijzondere omstandigheden nog maar zelden toegepast. In de bloedafnamebuis bevindt zich meestal een stof bevindt die het bloedmonster onstolbaar maakt, zoals heparine, EDTA of citraat. Welk middel gebruikt kan worden hangt af van het aangevraagde onderzoek; sommige middelen storen de bepaling van de te bepalen stof. Voor het afnemen van bloed wordt bij voorkeur een van de aders in de elleboogplooi gebruikt, bijv. de vena antecubiti. Om te zorgen dat de ader goed gevuld is, en daardoor makkelijker aan te prikken wordt vaak gebruik gemaakt van een stuwband die de veneuze terugvloed van het bloed wel, maar de arteriële aanvoer van het bloed niet belemmert. Soorten bepalingenEr zijn verschillende soorten bloedonderzoek te onderscheiden:
Er zijn vele honderden, zelfs duizenden, mogelijkheden voor wat er allemaal in bloed te onderzoeken is. Om zinvolle resultaten te krijgen moet daarom altijd een duidelijke keuze worden gemaakt welke bepaling men wil laten doen; meestal zal daar een bepaalde aanleiding voor zijn in de vorm van klachten van de patiënt. Dit is de deskundigheid van de aanvragende arts. Anders dan veel mensen denken is het meestal niet mogelijk om in het bloed te zien of er een kwaadaardige tumor aanwezig is, namelijk alleen als de tumor een bepaalde stof afscheidt die normaal niet in het bloed aanwezig is, wat verreweg de meeste tumoren niet doen. Normaal en abnormaalWat normaal is wordt in de praktijk statistisch bepaald. De normale waarden van een bepaling worden verkregen door bij een aantal gezonde mensen de bepaling uit te voeren en te kijken in welke gebied de uitkomsten vallen. De grenzen worden dan zo gekozen dat de laagste 2,5% en de hoogste 2,5% (of een vergelijkbare drempel) erbuiten vallen. Dit wil dus zeggen dat ook onder gezonde mensen er een kans van 1 op twintig is dat een gegeven bepaling, let wel iedere bepaling, te hoog dan wel te laag zal uitvallen, zonder dat er een reden is om aan te nemen dat die persoon ziek is. Sterker nog: als men bij een willekeurig persoon 20 bepalingen aanvraagt, is de kans dat er een abnormale uitslag bij zit (1-0,95**20)= erg groot. Ook het interpreteren van normale en abnormale uitslagen vergt dus ervaring. Zie ookExterne link |
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.