|
Article on other languages:
|
Borstkanker of mammacarcinoom is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst. Het is de meest voorkomende soort kanker bij vrouwen: 22 procent van alle kankers bij vrouwen. Jaarlijks treft het wereldwijd ongeveer 1 miljoen vrouwen. In Nederland krijgt één op de negen vrouwen borstkanker. Ter vergelijking; in de VS is dat 1 op de 8. Omdat mannen ook een kleine hoeveelheid borstklierweefsel bezitten, kunnen zij ook borstkanker krijgen, al komt dat wel veel minder vaak voor. De kans dat een man borstkanker ontwikkelt is ongeveer 1 op 100.000 per jaar. In het hele leven is dat ongeveer 1:1000, honderdmaal minder vaak dan vrouwen.[1]
OntstaanBorstkanker wordt veroorzaakt door afwijkingen in het DNA, mutaties die ervoor zorgen dat een cel (in dit geval een cel in de borst) ongecontroleerd gaat delen en groeien. Typerend van kanker is, dat de kankercellen hierbij ook het omringende, normale weefsel gaan wegduwen, verdrukken en hinderen, en dat de cellen uiteindelijk kunnen uitzaaien naar andere plaatsen in het lichaam, waar ze uitzaaiingen (metastases) gaan vormen. De ontwikkeling van gewone cel naar kankercel is een proces met verschillende stadia. Risicofactoren beïnvloeden de kans dat een gewone borstcel zich uiteindelijk zal ontwikkelen tot kankercel. RisicofactorenLeeftijdDe kans op borstkanker wordt voor een belangrijk deel bepaald door de leeftijd, vrouwen op hogere leeftijd hebben een hoger risico op borstkanker. Hormonale invloedenBij borstkanker is ook een belangrijke rol weggelegd voor hormonale invloeden. Een vrouw loopt méér risico op borstkanker als zij:
Erfelijke invloedAls borstkanker in de familie voorkomt, is het risico op het krijgen van borstkanker eveneens verhoogd. Wanneer borstkanker bij één eerstegraads verwant voorkomt (dus bij de moeder, een zus of een dochter), heeft een vrouw tweemaal zoveel kans dat zij ook borstkanker zal krijgen (dus circa 20% kans in plaats van de normale 10% kans). BRCA1 en BRCA2 zijn twee borst- en eierstokkanker genen. Zij veroorzaken (slechts) 5 procent van de borstkankers. Een vrouw met een mutatie in het gen heeft een risico van 40-85 procent op het krijgen van de aandoening. Wanneer in een familie meerdere vrouwen op jongere leeftijd borstkanker krijgen, kan men onderzoek doen naar mutaties in deze genen. Hiervoor verwijst de huisarts familieleden door naar de polikliniek van de afdeling Klinische Genetica (in België een Centrum voor Menselijke Erfelijkheid) van een ziekenhuis. In geval van een mutatie in BRCA1 of BRCA2 is het preventief verwijderen van de borsten een optie. Geografische verschillenEen westerse vrouw heeft 4 keer meer kans op borstkanker dan een vrouw uit Afrika of Azië Overige risicofactorenOvermatige alcoholconsumptie, roken en bepaalde soorten straling op het borstweefsel vergroten ook het risico op borstkanker. Voldoende lichamelijke activiteit beschermt juist mogelijk tegen borstkanker. Het ondergaan hebben van een abortus of een miskraam blijkt geen invloed te hebben op het risico op borstkanker. [3] Symptomen
mammografie van gezonde weefsel vs mammacarcinoom.
Meestal is de eerste klacht een voelbare knobbel in de borst, die meestal niet pijnlijk is. Soms kan er uitvloed uit de tepel bestaan (al dan niet bloederig), of is een tepel ingetrokken die dat normaal niet was. Het eerste teken van borstkanker kan soms ook een verandering van de huid van de borst of bij de tepel zijn (plotseling ontstane sinaasappelhuid van de borst of een zweertje). Knobbels onder de oksel kunnen op uitzaaiingen in de lymfeklieren (lymfkliermetastasen) duiden. Wanneer een knobbel in de borst gevoeld wordt, is de kans op kwaadaardigheid groter wanneer de huid boven de knobbel ingetrokken is, wanneer de knobbel vastzit aan de huid of aan de onderlaag (niet beweeglijk is), en wanneer de knobbel slecht afgrensbaar aanvoelt en een grillige vorm heeft. Wanneer iemand een dergelijke klacht heeft, is het altijd het beste om naar de huisarts te gaan. Vaak blijkt er een goedaardig probleem te zijn, maar de huisarts is degene die dit het beste kan beoordelen. De beoordeling van dergelijke knobbels is soms moeilijk en zekerheid is vaak pas met andere onderzoeken (mammografie, echo-onderzoek, biopsie) te krijgen. Met een mammografie die gedaan wordt in het kader van bevolkingsonderzoek, of vanwege een verhoogd risico op borstkanker, worden tegenwoordig ook borsttumoren gevonden die verder nog geen klachten gaven. Vroege ontdekkingHoe eerder ontdekt wordt dat iemand borstkanker heeft, hoe beter de behandelingsmogelijkheden zijn en hoe hoger de kans op overleving. Vroege ontdekking is dus belangrijk. Zelfonderzoek
Het maken van een mammogram tijdens een borstonderzoek
Een mammogram
Lange tijd werd vrouwen geadviseerd regelmatig zelf hun borsten grondig een systematisch te onderzoeken. Door maandelijks zelfonderzoek van de borsten zou borstkanker vroeger opgespoord kunnen worden. Zo was het advies bij vrouwen die nog menstrueren dat het verstandig was dit onderzoek ongeveer een week na de menstruatie te doen, omdat borsten vóór de menstruatie enigszins gezwollen en pijnlijk kunnen zijn. Wanneer men de borsten maandelijks zou onderzoeken, zou men ook weten hoe de borsten "normaal" aanvoelen, en sneller doorhebben, of er iets veranderd is. Er zijn nieuwe inzichten omtrent dit zelfonderzoek. Gebleken is dat zelfonderzoek van borsten wel goed is, maar dat het de kans om aan borstkanker te overlijden niet verkleint. Het levert geen gezonheidswinst op omdat vrouwen afwijkingen niet eerder ontdekken als ze maandelijks hun borsten onderzoeken. Bij het douchen, insmeren of voor de spiegel staan ontdekken vrouwen afwijkingen meestal vanzelf. Maandelijks systematische en grondig zelfonderzoek is daar niet voor nodig. Er is geen onderzoek dat aantoont dat maandelijks zelfonderzoek van de borsten de kans kan verkleinen om aan borstkanker te overlijden. Vrouwen die wel regelmatig zelfonderzoek doen, hebben juist een grotere kans om onnodige ingrepen te ondergaan, omdat zij soms te veel voelen waardoor zij onnodig ongerust worden en medische hulp zoeken.[4] BevolkingsonderzoekIn Nederland is er een bevolkingsonderzoek waarbij alle vrouwen tussen de 50 en 75 jaar elke twee jaar onderzocht worden op borstkanker. Dit gebeurt door het maken van een röntgenfoto van de borsten, een mammografie. De bedoeling hiervan is, borstkanker in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen. Het komt echter ook vaak voor, dat vrouwen na zo'n routinematige foto nog eens terug moeten komen voor nader onderzoek, omdat er een afwijking lijkt te zijn. Uiteindelijk kan dan blijken dat de vrouw toch geen borstkanker heeft en dat alle angst en ongerustheid "voor niets" is geweest. Deze belasting voor vele vrouwen wordt hopelijk gecompenseerd door het feit dat er bij enkele andere vrouwen dankzij het onderzoek borstkanker gevonden wordt in een dermate vroeg stadium, dat genezing of langdurige overleving mogelijk is. DiagnoseHoewel er met een lichamelijk onderzoek, een mammografie, een echo en/of een biopsie vaak al een zeer groot vermoeden op borstkanker kan bestaan, kan de definitieve diagnose pas gesteld worden door de patholoog, wanneer deze borstweefsel dat meestal door een operatie is weggehaald, onder de microscoop kan beoordelen. Door onderzoek van de patiënt en van de tumor wordt de borsttumor ingedeeld in een bepaalde soort en categorie, en wordt het stadium van de borstkanker bepaald. Dit is belangrijk, om een mededeling te kunnen doen over de prognose en om te bepalen, welke behandeling noodzakelijk is. De patholoog kan bovendien enige speciale kleuringen doen van het weggehaalde weefsel, waardoor bepaald kan worden, of er speciale behandelingsmogelijkheden zijn, zoals hormoontherapie of immunotherapie. Ook zijn er sinds kort op microarray gebaseerde testen op de markt die de arts kunnen helpen bij de behandelingskeuze. Soort borstkankerEr bestaan verschillende soorten borstkanker, die ontstaan uit verschillende cellen.
TNM classificatieDe TNM classificatie voor borstkanker is als volgt: T (grootte van de tumor, dat wil zeggen van de knobbel in de borst)
Het N-gedeelte van de TNM classificatie, namelijk kenmerken van de lymfeklieren in de oksel, of soms van lymfeklieren op andere plaatsen dicht bij de borst, bestaat uit N0 (geen aanwijzingen voor uitzaaiingen in de lymfeklieren) en N1, N2 en N3 (in oplopende mate uitzaaiingen in de lymfeklieren). Het M-gedeelte van de TNM classificatie gaat over eventuele metastasen (uitzaaiingen) op afstand). Hierbij staat M0 voor geen aanwijzingen voor uitzaaiingen elders in het lichaam en M1 voor geconstateerde uitzaaiingen elders in het lichaam. StadiumNaast de indeling volgens de TNM-classificatie is nog een indeling in stadia mogelijk. Deze geven een beter beeld van de behandelingsmogelijkheden en van de prognose.
Hormoongevoeligheid / bijzondere kenmerkenDe patholoog kan bepalen, of een tumor snel groeit (dan zijn er veel celdelingen te zien) of niet. Ook kan de patholoog zien, hoeveel de tumorcellen nog lijken op de oorspronkelijke borstcellen, met andere woorden hoe goed of slecht de cellen gedifferentieerd zijn. Slechte differentiatie en een snelle groei zijn ongunstig. De patholoog kan ook van elke tumor bepalen, of deze hormoongevoelig is (dan zijn er op de kankercellen receptoren te vinden voor de vrouwelijke hormonen oestrogeen en progesteron). Wanneer een tumor nog hormoongevoelig is, is dit in principe goed nieuws, omdat het onderdrukken van de vrouwelijke hormonen dan de groei van de tumor kan remmen. Hiervoor bestaan medicijnen. Verder kan er getest worden op de Human Epidermal Growth Factor receptor-type 2 (HER2, ook wel aangeduid met HER2/neu of ErbB-2). Deze receptor is een eiwit dat voorkomt op het celmembraan, als hier teveel van is heeft deze cel een groeivoordeel. Bij de aanwezigheid van deze receptor is de prognose minder goed, omdat deze soort tumoren agressiever is. Maar er bestaat nu een medicijn, trastuzumab (Herceptin®) dat precies op deze receptor aangrijpt, waardoor ook dit soort kankercellen geremd kan worden. BehandelingHet is gebruikelijk dat vrouwen met borstkanker een combinatie van de hieronder genoemde behandelmethoden krijgen. De keuze en de volgorde van de verschillende behandelingen is onder meer afhankelijk van de kenmerken van de tumor, het stadium van de ziekte en van de leeftijd waarop borstkanker wordt geconstateerd. OperatieBij de meeste patiënten met borstkanker is het noodzakelijk om de tumor chirurgisch te verwijderen. Bij redelijk kleine tumoren (stadium Tis, T1 en T2) kan men meestal kiezen tussen een borstsparende operatie, waarbij alleen de tumor en een klein gebied eromheen weggehaald wordt, of een totale verwijdering van de borst (mastectomie). Bij grotere tumoren is er helaas soms geen keuze meer en moet de hele borst verwijderd worden. Een prothese of reconstructie is dan vaak mogelijk. Lymfeklieronderzoek tijdens de operatieDe lymfeklieren in de oksel bij de aangedane borst moeten meestal onderzocht worden door de patholoog, omdat hierin mogelijk kleine uitzaaiingen te vinden zijn, die men met het blote oog of met röntgenfoto's of echo's niet kan vaststellen. Vaak wordt hiervoor tijdens de operatie een schildwachtprocedure uitgevoerd, waarbij men de lymfeklier opspoort waar het tumorgebied direct op draineert (de schildwachtklier). Deze lymfeklier wordt verwijderd en nog tijdens de operatie onderzocht door de patholoog. Is deze lymfeklier niet aangedaan, dan wordt aangenomen dat de andere (er achterliggende) lymfeklieren ook vrij van metastasen zijn, en dan hoeft men deze niet te verwijderen. Wanneer de schildwachtklier wel aangedaan is, of wanneer men al vóór de operatie een zeer groot vermoeden heeft op aantasting van de lymfeklieren, worden alle (10 à 20) lymfeklieren uit de oksel verwijderd (het zogeheten okseltoilet). BestralingNa een borstsparende operatie moet er altijd bestraling volgen van de geopereerde borst (radiotherapie). Dit verkleint de kans op het terugkomen van de tumor in de borst. Een bestraling kan ook in andere gevallen aangeraden worden, om bijvoorbeeld de kans op de terugkeer van de kanker te verkleinen. MedicatieHoewel borstkanker steeds meer voorkomt, neemt de sterfte af. Dit is voor een groot deel te danken aan de behandeling ervan met verschillende geneesmiddelen. Medicatie tegen borstkanker is bedoeld om de kans op terugkeer van de kanker te verkleinen, of om de hoeveelheid kankercellen te verminderen. Het advies om deze medicatie te gebruiken, hangt onder andere af van de leeftijd van de patiënt, het stadium van de borstkanker en speciale kenmerken van de borsttumor (bijvoorbeeld de hormoongevoeligheid). De medicatie valt te verdelen in verschillende categorieën:
OperabelTabel 1. Adjuvante systemische (chemo)therapie bij lymfklierpositieve-borstkanker zonder HER2-neu overexpressie.
Een alternatief voor jonge patiënten zijn 6 kuren TAC, met G-CSF. Is zwaardere kuur. ER+ = tumor bevat oestrogeenreceptoren PgR+ = tumor bevat progesteronreceptoren ER- = tumor bevat geen oestrogeenreceptoren PgR- = tumor bevat geen progesteronreceptoren 5FEC = 5 kuren met 5-fluorouracil, epirubicine en cyclofosfamide N≥4 = meer dan 4 positieve lymfklieren LHRH = luteïniserend hormoon-‘releasing’ hormoon-analogon tam. = tamoxifen TAC = kuur met docetaxel, doxorubicine en cyclofosfamide Tabel 2. Adjuvante systemische (chemo)therapie bij lymfklierpositieve-borstkanker met HER2-neu overexpressie.
4AC→P(12wkn) +1jr.Tras. = 4 kuren doxorubicine en cyclofosfamide, gevolgd door 4 kuren van 3 weken of 12 wekelijkse kuren paclitaxel, en 1 jaar trastuzumab. Een alternatief voor4AC→P(12wkn) +1jr.Tras. zijn 5 kuren FEC, gevolgd door 1 jaar trastuzumab. UitgezaaidTabel 3. Adjuvante systemische therapie bij lymfkliernegatieve-borstkanker zonder HER2-neu overexpressie. Gebaseerd op tumorgrootte en differentiatiegraad (SBR).
Tabel 4. Adjuvante systemische therapie bij lymfkliernegatieve-borstkanker met HER2-neu overexpressie. Gebaseerd op tumorgrootte en differentiatiegraad (SBR).
Externe links
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.