|
Article on other languages:
|
Met de Germanen wordt een verzameling volkeren en stammen aangeduid die rond het begin van onze jaartelling een Germaanse taal spraken. Het is dus primair een linguïstisch begrip[bron?]. Een Germaan was een spreker van een Germaanse taal. Destijds bewoonden zij een gebied dat zich ongeveer uitstrekte van de Rijn in het westen tot voorbij de Wisła in het oosten en van de Donau in het zuiden tot Scandinavië in het noorden. De Germaanse talen behoren tot de Indo-Europese taalfamilie.
InleidingOngeveer 2000 jaar geleden bestonden de Germanen uit een groot aantal stammen (zie sjabloon onderaan dit artikel). Ze streden vaak tegen de Romeinen die hun woongebied probeerden te veroveren en ze slaagden erin definitief hun onafhankelijkheid te bewaren nadat ze in de eerste eeuw de Romeinse generaal Varus versloegen in het Teutoburgerwoud. Nadien waren de betrekkingen met de Romeinen redelijk vreedzaam en leverden ze zelfs hulptroepen aan het Romeinse leger. Een aantal vooral Oost-Germaanse volkeren gingen al vroeg over op het christendom, zij het de ariaanse vorm daarvan en waren lang niet de grove barbaren waar ze wel voor uitgemaakt worden. Toen vanaf de derde eeuw het Romeinse rijk begon af te takelen begonnen de Germanen eerst plundertochten te ondernemen in het verzwakte Rijk. Later vestigden veel stammen zich zelfs op Romeins grondgebied en tenslotte namen ze het West Romeinse Rijk geheel over waarna ze zich in heel West-Europa vestigden. In een aantal gebieden van het voormalige Romeinse Rijk werden zo Germaanse talen voorgoed de voertaal. Dat geldt voor Engeland, Vlaanderen en Nederland beneden de rivieren maar ook voor Oostenrijk en een groot deel van Zwitserland. In andere delen van het Romeinse Rijk waren de Germanen maar een dunne bovenlaag die uiteindelijk opgingen in een Romaans sprekende bevolking zoals in Frankrijk of vernietigd werden door de Byzantijnen zoals de Goten en de Vandalen. Later in de geschiedenis verspreidden de Germaanse talen zich echter verder over de aardbol. Eerst door toedoen van de Vikingen, bijvoorbeeld op IJsland. Vervolgens in de koloniale tijd het Engels naar alle Britse koloniën en in mindere mate onze eigen taal naar Zuidelijk Afrika en Suriname. Er moet daarbij wel een onderscheid gemaakt worden tussen taal en volk. Vandaag zijn er miljoenen mensen die een Germaanse taal machtig zijn maar die genetisch niets met de Germanen van weleer te maken hebben. Dat geldt bijvoorbeeld voor sprekers van het Engels in de Verenigde Staten die van Chinese of Afrikaanse origine zijn, maar ook voor vele sprekers van het Afrikaans in Zuid-Afrika, recente Afrikaanse immigranten in Zweden of Kongolezen in Vlaanderen. Ongelukkigerwijs is in het verleden met name in de nazi-ideologie het onderscheid tussen ras en taal niet gemaakt. DefinitieOnze kennis van de Germaanse volkeren en stammen voor de Volksverhuizing is grotendeels gebaseerd op hetgeen door Griekse en Romeinse schrijvers over hen is opgetekend. Helaas maken deze geen systematisch onderscheid tussen Germaanse en Keltische stammen. Onze belangrijkste bron uit de tijd voor de 4e eeuw is "De Germania" van de geschiedschrijver P. Cornelius Tacitus. De vraag is of er wel zoiets was als dé Germanen of dé Kelten; dat zijn slechts verzamelnamen die de Romeinen gaven aan de min of meer los van elkaar levende groepen die toen het midden en het noorden van Europa bevolkten. Welke taal of dialect iedere groep precies sprak is niet vastgelegd en het is heel goed mogelijk dat dat in de loop der tijd veranderde. De Nederlanden waren lange tijd overgangsgebied tussen Kelten en Germanen en in hoeverre er onder de Bataven nog Keltisch gesproken werd is bijvoorbeeld niet echt duidelijk. OorsprongDe linguïstische en culturele verwantschap van de Germanen met de Kelten, Slaven, Latijnen, Grieken en andere Indo-Europese volkeren is goed gedocumenteerd. Pas na het tweede millennium v Chr. moet de profilering van de afzonderlijke Germanen zich hebben voltrokken. Over de vroegste geschiedenis van de Germaanse volkeren weet men weinig meer dan dat ze omstreeks de 6e eeuw v Chr. in Scandinavië en rond de Oostzee leefden. Hier verdreven ze wellicht de eerder gearriveerde Saami en Baltische stammen, maar waarschijnlijker is dat ze zich er gedeeltelijk mee vermengden. Het is heel goed mogelijk dat er in Europa vóór het Indo-Europees andere talen gesproken worden. Het Baskisch is een goed voorbeeld van een dergelijke taal. In hoeverre de sprekers van de vroegste Germaanse dialecten zich vermengd hebben met een eerdere niet-Indo-Europese bevolking is moeilijk te achterhalen en een onderwerp van soms verhitte discussie. Sommige taalkundigen nemen aan dat er een aanzienlijk aantal woorden in de Germaanse 'oertaal' overgenomen is van de vroegere bevolking rond de Oostzee (zie verder het artikel over de Germaanse-substraathypothese). Hun overwicht bestond eerder uit betere en ijzeren wapens en de strijdwagen dan uit grotere aantallen krijgers. De oorspronkelijke bevolking gebruikte toen nog bronzen wapens. Blond en blauwogigEr is in het verleden vaak beweerd dat de oorspronkelijke Germanen blond en blauwogig geweest zouden zijn, maar dergelijke conclusies zijn op basis van taalkundige en culturele gegevens erg gevaarlijk. Vandaag de dag zijn er bijvoorbeeld genoeg mensen met een donkere huidskleur die goed Nederlands spreken en van de Guanches, de oorspronkelijke bevolking van de Canarische Eilanden, die waarschijnlijk een Berbertaal spraken wordt ook gesteld dat zij blond en blauwogig waren. Germanen waren zij niet. Ras en taal zijn nu eenmaal niet hetzelfde. Het is heel goed mogelijk dat de (deels) blonde, blauwogige bevolking van Scandinavië gedeeltelijk afstamt van mensen die een heel andere taal spraken dan Germaans. Ook vandaag zijn er veel andere volken in een wijde cirkel om de Oostzee met een groot percentage blonde en blauwogige mensen zoals de Lappen, Balten, de Westslaven en Oostslaven en de Finnen. Balten en Slaven zijn indo-europees maar de talen van de Finnen en Lappen behoren tot de Fins-Oegrische talen, die niet tot de indo-europese taalfamilie behoren. Het ziet er dus naar uit dat de 'oerbevolking' van deze streken al voor de komst van de indo-europese nieuwkomers de kenmerken blond en blauwogig had en door vermenging van de oude met de nieuwe bewoners deze doorgaf aan de huidige bevolking. VerspreidingNa verloop van eeuwen ontstond er in de streek rondom de Oostzee een zekere overbevolking en veel Germaanse stammen migreerden naar de zuidelijke oever van de Oostzee om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden. Er ontstonden op die manier vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijdstippen en plaatsen met andere namen werden aangeduid (bijvoorbeeld de Friezen, Toxandriërs en Kaninefaten). Hierdoor is het moeilijk hun migraties afzonderlijk te volgen. De geschiedschrijver Tacitus verdeelde hen in drie groepen: de Ingvaeones, Herminiones en Istvaeones, naar de mytische drie zonen van de oervader Mannus. Plinius de Oudere maakt in boek IV van zijn Naturalis Historia een verdeling in 5 groepen:
Meer praktisch nut heeft vermoedelijk de door taalkundigen gehanteerde indeling in Noord-, West-, en Oostgermaanse talen. Omstreeks de vijfde eeuw waren de belangrijkste volken de Saksen, Franken, Juten, Angelen, Goten (zowel Ostrogoten als Visigoten), Bourgondiërs en Vandalen. Levenswijze en cultuurLeven en cultuur van al deze volken verschilden onderling niet zo veel omstreeks de tijd dat de Romeinen hun macht over Europa uitbreidden. Zo bestonden de westelijke volksstammen voornamelijk uit landbouwers, de oostelijke uit schaapherders en veehoeders. Allen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. In tijden van crisis werd er door de aanzienlijke mannelijke stamleden een leider gekozen maar deze moest steeds de belangen van de 'kiezers' in het oog houden. Wel waren er jaarlijks bijeenkomsten van de stamhoofden onderling.
Nydamschip uit de 4e eeuw
De Germaanse maatschappij had zich gegroepeerd rond sibben, families en geslachten met een gemeenschappelijke legendarische voorvader. De stammen werden geregeerd door edelen. Verder is er sprake van vrijen, half-vrijen (liten) en slaven. De vrije mannen mochten het woord voeren in de volksvergadering. Voor zover koningen een rol speelden waren dit voornamelijk 'vegetatiekoningen', die de vruchtbaarheid van het gewas en de overwinning in de strijd moesten garanderen. De Germanen waren waarschijnlijk constant in kleine oorlogjes betrokken waarbij vermoedelijk het aantal doden en gewonden door algemeen geaccepteerde 'oorlogsregels' binnen de perken bleef. In de Engelstalige literatuur wordt dit aangeduid met de term endemic warfare (verdere info bij de Engelse wiki onder deze term). Hierbij voeren slechts de krijgsheren en hun directe gevolg (de comitatus) oorlog. Waarschijnlijk konden de jonge krijgers in deze oorlogjes hun 'mannelijkheid' bewijzen om opgenomen te kunnen worden in de rangen van de volwassenen en was dit, naast rivaliteit over de grenzen van het territorium, een van de belangrijkste redenen om geregeld de krachten te meten. Bij de weinige volkeren die heden nog in stamverband leven is dit een belangrijke reden om de onderlinge rivaliteit van buurstammen in stand te houden. De Germanen bedreven landbouw vooral door stukken woeste grond plat te branden en het zaad in de as te strooien. Daarnaast werden ook kleine akkertjes, celtic fields, permanent bebouwd en bemest. Een vrij man verwierf overigens veel meer aanzien door vechten en plunderen dan door akkerbouw te bedrijven. Daarom vochten ook vrije mannen in de strijd. Succesvolle aanvoerders verzamelden krijgers om te plunderen; een dergelijke schare noemde Tacitus een comitatus. Door de lust naar plunderen werd het Romeinse Rijk een belangrijk doelwit voor de Germanen.
Het oudere Futhark, de eerste Germaanse schrifttekens
Het schrift was dat van de runen. Hiermee beschreven de Germanen vooral grootse daden, maar in Bergen zijn ook runeninscripties voor dagelijks gebruik aangetroffen, de zogeheten Bryggen inscripties. Daarbij gaat het om namen, gebeden (meestal in het Latijn), persoonlijke berichten, zakelijke brieven en uitingen van vriendschap. Toch schreven de Germanen niet veel op, want er was geen uitgebreide literatuur. Wel hadden de Germanen waarschijnlijk een rijke orale cultuur, waarin voorgedragen poëzie een belangrijke rol speelde. Enkelen van deze liederen zijn het Nibelungenlied, de Thidrekssaga, het Hildebrandslied en de poetische Edda's. Die werden opgeschreven in de vroege middeleeuwen; de oudste inscriptie in een Germaanse taal dateert uit de eerste helft van de 5e eeuw v.Chr.; ze staat op de Negauer Helm die bewaard wordt in het Kunsthistorisches Museum Wien. De Germanen hadden een rijke materiële cultuur die veel overeenkomsten met de verwante Keltische cultuur vertoonde. De weefkunst was goed ontwikkeld. De Romeinen spraken met bewondering over de veelkleurige wollen kleding die de Germaanse vrouwen droegen. Ook de aanzienlijke mannelijke krijgers besteedden veel aandacht aan hun uiterlijke verzorging. Bewonderd door de Romeinen werd eveneens de sterk ontwikkelde smeedkunst. Tijdens de volksverhuizingen werden de Germaanse wapens zelfs superieur geacht aan de Romeinse. Ook de ornamentele kunst heeft sublieme werkstukken opgeleverd zoals opgegraven grafbijgiften nog getuigen. Veel Germanen, als ze het zich konden veroorloven, droegen evenals de Kelten deskundig gemaakte gouden hals- en armbanden: torques. De Romeinen gebruikten in latere tijden torques die als oorlogsbuit op Kelten en Germanen veroverd waren zelfs als gewild onderscheidingsteken en betaalmiddel voor verdienstelijke soldaten. GeloofsopvattingEen priesterkaste met als taak de religieuze cultuur vaste vorm te geven en over te dragen, zoals bij de verwante Kelten de druïden, was er niet. Maar er leefde wel een eigen Germaanse mythologie op de achtergrond, die van de ene generatie op de andere in verhalen bij de haard door de ouderen werd overgeleverd. De verhalen, de namen van de goden, de helden en andere mythische figuren varieerden soms wat van de ene stam tot de andere, maar waren grosso modo alle op eenzelfde stramien gebaseerd. Zo geloofde men in meerdere werelden die met elkaar in contact stonden, een godenwereld met een oppergod (Wodan of Odin), een onderwereld met slangen, draken en andere mythische wezens, en daartussen de mensenwereld. Al deze werelden werden bij elkaar gehouden door een reusachtige levensboom Yggdrasil, tegelijk de boom van kennis. Veel van de in de 9e tot de 12e eeuw in omloop zijnde verhalen daarover werden gebundeld in een literair werk, de Edda. Dit is het werk van een Oud-IJslandse geleerde die beducht was voor de teloorgang van de befaamde dichtkunst van de Germanen in een periode van toenemende kerstening. De religie zal zich sinds Romeinse tijden ongetwijfeld ontwikkeld hebben. Tacitus maakt geen melding van 'typisch Germaanse' goden als Wodan, Donar, Balder of Freya. Romeinen en GermanenToen de Romeinen Gallië binnenvielen, waar ze de Keltische bewoners versloegen, kwamen ze in het noorden ook (opnieuw) in aanraking met de Germanen. De Romeinen hadden namelijk al eens kennis gemaakt met een Germaans/Keltische invasie van Cimbren en Teutonen in de 2e eeuw v.Chr.. De Romeinse veldheer Gaius Marius wist hen toen te verslaan (102 v.Chr.). Aanvankelijk beschouwden de Romeinse geschiedschrijvers hen gewoon als 'barbaren'. Tacitus echter, die in de eerste eeuw leefde, vond de Romeinen van zijn tijd decadent en slap en hield zijn landgenoten de ruwe maar dappere Germanen als voorbeeld van 'echte mannen' voor. Gezien de krachtsverhoudingen tussen Romeinen en Germanen is het lange tijd de vraag geweest hoe de oorlog tussen deze twee volkeren in het voordeel van de Germanen beslecht kon worden. Aan de ene kant vocht immers een hoogst professioneel, goed getraind leger met een grote militaire traditie, aan de andere kant naar verhouding veel minder goed bewapende groepen Germanen, zonder al te veel oefening, discipline en professionaliteit. Het antwoord hierop heeft waarschijnlijk te maken, naast toevalsfactoren als weersomstandigheden en wel of niet bekwame veldheren op de verkeerde of goede tijd en plaats, met de geografische en klimatologische omstandigheden. Met name de aanwezigheid van venen en bossen is hierbij waarschijnlijk van doorslaggevend belang geweest. Hier hadden de Germanen, die het terrein kenden en licht bewapend waren, een groot voordeel op de Romeinen, die gewend waren aan het inzetten van zware infanterie en artillerie en dammen en dijken moesten aanleggen om überhaupt te kunnen oprukken. Overigens impliceert dit geen absolute tegenstelling tussen Germanen en Romeinen, want vele stammen leverden hulptroepen en de Bataven stonden zelfs als elitetroepen bekend. Na de nederlaag in 9 n. Chr. van Varus met zijn legioenen in het Teutoburger Woud brokkelde de directe Romeinse invloed in Germania Transrhenanum (Germania over de Rijn) echter snel af. Na de nederlaag van Varus beperkten de Romeinen zich tot gebruik van de Rijn en de Donau als een natuurlijke westelijke en noordelijke verdedigingslinie. Via onder andere steeds intensievere handelscontacten namen de Germanen toch veel over van het naburige Romeinse rijk. Naast veel oorspronkelijk Romeinse materiële en culturele verworvenheden verspreidde zich ook het christendom onder de Germaanse stammen buiten het rijk, vooral in de 4e eeuw. Vanaf het einde van de 4e eeuw begonnen Germaanse stammen in steeds grotere aantallen het Romeinse Rijk binnen te dringen. Germanen de nieuwe heersers van West-EuropaDit ging vrij gemakkelijk omdat inmiddels het Romeinse Rijk gesplitst was in een West-Romeins en Oost-Romeins deel. Terwijl het Oostelijke deel zich nog goed kon verdedigen doordat de economische basis daar nog steeds sterk genoeg was om de middelen daarvoor te kunnen verschaffen, verzwakte de West-Romeinse defensie aanzienlijk. Door een toenemende druk op de grenzen had de West-Romeinse regering meer soldaten nodig en dus meer belastingen om hun soldij te betalen. Maar hier rees een groot probleem: er blijkt een bevolkingsvermindering te zijn opgetreden door waarschijnlijk een of andere epidemie. Rome had dus een tekort aan belastingbetalers. Tevens veranderden de keizers de militaire verdediging drastisch. Ze verplaatsen uit veiligheidsoverwegingen vele troepen aan de grenzen naar de grotere steden om de soldaten over het hele rijk te verspreiden. Meestal om de eigen bevolking onder de duim te houden omdat door de steeds hogere belastingdruk en toenemende onvrijheid voor de burgers vele opstanden dreigden. Door de vele onderlinge oorlogen van de verschillende kroonpretendenten werd er vaak binnen het Romeinse Rijk meer strijd geleverd dan aan de grenzen. De uitgedunde grensbewaking kon echter de steeds talrijkere invallen van al dan niet plunderende Germanen moeilijk tegenhouden. Om de grenzen toch te verstevigen, bedachten de Romeinse machthebbers een andere politiek, het foederatibeleid. Germanen die in een vroegere periode toegelaten waren om zich op Romeinse bodem te vestigen (en zodoende het land te ontginnen en de nodige belastingen te betalen aan de keizer) ging men inlijven in het Romeinse (grens)leger. Andere volkeren over de Rijn werden ook aangespoord dit voorbeeld te volgen. In ruil mochten ze hun leider behouden, hun cultuur en hun naam. Maar ze mochten dan enkel nog dienen onder de keizer. Van lieverlede gebruikten de Germaanse stammen op Romeinse bodem wel de zo geboden mogelijkheid om hoger op te komen. Tegen het einde van het West-Romeinse Rijk telde de Romeinse legerleiding meer Germanen dan Romeinen en beslisten zij meestal wie de keizer werd.
In 430 moesten de Romeinen zelfs de hulp van de Hunnen inroepen om het Bourgondische koninkrijk bij de stad Civitas Vangionum (nu Worms) te verslaan. In 436 werd dat rijk vernietigd. Deze strijd werd overigens de grondslag voor de middeleeuwse sage van de nibelungen. In 429 veroverden de Vandalen, vooruit geduwd door de Visigoten, vanuit Spanje het Noord-Afrikaans gebied tot en met de stad Carthago (in het huidige Tunesië), het tweede centrum van Romeinse cultuur, en de tarweschuur die grotendeels Italië van voedsel voorzag. Ze bouwden vlug een machtige vloot op die deze stad als basis had en namen snel de Romeinse luxueuze levenswijze over. Daarbij vrijwaarden zij het culturele erfgoed aldaar, in tegenstelling tot wat hun naam doorgaans oproept. Van Carthago uit stroopten de Vandalen een tijdlang de Middellandse zee af als piraten maar begonnen geleidelijk normale handelsbetrekkingen waarbij zij de oude vaarroutes overnamen en domineerden, totdat de Byzantijnse generaal Belisarius hen versloeg in de 6e eeuw. Na de definitieve val van het West-Romeinse imperium werden de eens zo misprezen Germaanse volkeren de nieuwe meesters van West-Europa. De Visigoten heersten over een groot deel van Spanje, de Franken werden de meesters van Frankrijk, bijna heel het huidige deel van België, Nederland en het Rijnland, de Ostrogoten (Oost-Goten) vestigden op hun beurt hun macht in Italië en in een uitgestrekt gebied ten noorden en ten oosten daarvan. Hun koninkrijken werden de kernen van de huidige Europese staten. In het vroegere Romeinse Rijk vormden de germanen maar een dunne heerserslaag over de veel grotere latijnstalige bevolking. Geleidelijk assimileerden de germanen en namen de taal en gewoonten van hun onderdanen over. Buiten het vroegere rijk versmolten eveneens de Germaanse stammen met elkaar en tegen het jaar 1000 was het stamonderscheid nog maar van weinig betekenis.
Het Romeinse Rijk na de Ostrogotische verovering van Italia in 493.
Terwijl het Oost-Romeinse Rijk tamelijk ongeschonden de volksverhuizing is doorgekomen is het West-Romeinse Rijk praktisch verdwenen. Het voormalige grondgebied werd ingenomen door Germaanse stammen, die in theorie wel de Oost-Romeinse keizer erkennen als opperheer, maar in de praktijk hun eigen gang gaan. Germaanse stammenZoals in de inleiding aangegeven was het niet eenvoudig om de verschillende stammen goed te onderscheiden. Veel stammen waren op verschillende tijden onder diverse namen bekend. Ook kwam het geregeld voor dat een stam zich afscheidde van een hoofdstam en tevens een nieuwe naam ging voeren. En ook gingen stammen soms weer op in een groter verband: bijvoorbeeld de Franken bestonden oorspronkelijk uit een groot aantal verschillende stammen die geleidelijk samensmolten. Dit proces van opsplitsen en weer samengaan van de diverse Germaanse stammen was in de eeuwen rond de jaartelling nog redelijk gemakkelijk omdat de Germanen onderling nog goed verstaanbare talen spraken. Ook hun stamculturen en gebruiken waren nog erg homogeen. Moderne historici zijn het nog niet eens over stammen uit de (Late) Oudheid, er bestaat twijfel of er überhaupt wel over duidelijke stammen kan worden gesproken. Historici beargumenteren dat in principe iedereen lid kon worden van een stam, en dat de stammen eigenlijk niets meer dan uitvindingen van Romeinse schrijvers zijn. Romeinse schrijvers gaven vaak een naam aan bewoners van een bepaald gebied, zoals de 'Goten', terwijl men eigenlijk niet wist of er wel enige verwantheid tussen deze bewoners bestond. In later tijden kon iedereen die dat wilde zich aansluiten bij een stam of er zelfs een vormen. Dit was het geval bij de Visigoten onder Alaric, deze stam bestond waarschijnlijk uit een groep 'originele' Goten met daarbij aangesloten groepen andere Germanen en ook vele Romeinen die hun kans op buit roken. Ook de Franken, een andere 'stam', trokken vele Romeinen aan om Frank te worden door het 'uitvinden' van een gemeenschappelijke geschiedenis met de Romeinen. AriosofieNationaalsocialisten noemde de Germaanse volkeren ook wel Ariërs. Sommige nationaalsocialisten waren van mening dat de Germanen een uitverkoren volk zouden zijn dat in hun bloed de Germaanse ziel mee zou dragen waaraan door natuurgoden de wereldheerschappij zou zijn toebedeeld. Trivia
Externe referenties
Literatuur
Zie ook
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.