|
Article on other languages:
|
Het Heilige Roomse Rijk was een politiek conglomeraat van landen in West- en Centraal-Europa dat ontstond in 962 uit het oostelijke gedeelte van het Frankische Rijk, dat was opgericht bij het Verdrag van Verdun (843). Het Rijk bestond als centraal-Europese mogendheid in wisselende samenstelling en mate van samenhang 944 jaar, tot het werd opgeheven in 1806. In de 15e eeuw werd de naam uitgebreid tot Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie (Sacrum Romanum Imperium Nationis Germanicae in het Latijn) of Rooms-Duitse Rijk. Het Rijk werd 'Rooms' genoemd, omdat het werd ingesteld als voortzetting van het Romeinse Rijk. Dit werd door de toenmalige Westerse wereld gezien als zeer belangrijk, want christelijke profetieën (zie het Bijbelboek Daniël) hadden voorspeld dat de wereld na het vierde rijk (het Romeinse Rijk) zou vergaan. Het Byzantijnse rijk beschouwde zich al sinds de val van het Romeinse Rijk in 476 als voortzetting daarvan. Daarom hing volgens de Byzantijnen het voortbestaan van de wereld af van het voortbestaan van hun 'Romeinse'-Byzantijnse Rijk. De pretentie om het Romeinse rijk op te volgen speelde ook al een rol bij de kroning tot keizer van Karel de Grote in 800. Het adjectief 'Heilig' werd gebruikt om de nauwe band met de Rooms-katholieke Kerk aan te geven. In de 15e eeuw werd de term Duits eraan toegevoegd omdat destijds de meeste inwoners Duits als moedertaal hadden en de Duitse Habsburgers het definitief voor het zeggen kregen en de keizer leverden. Een bekend aforisme van Voltaire luidde dat het Rijk niet Romeins, niet heilig en evenmin een rijk was.
Omvang en staatsinrichtingKoning en keizerHet Heilige Roomse Rijk begon zijn bestaan als het Oost-Frankische koninkrijk. Op een zeker moment werd aan de koning van dit rijk ook de keizerstitel gegeven. Hoewel dit als tijdelijke regeling bedoeld was om een acute politieke situatie op te lossen is de keizerstitel blijven 'hangen' in het Oost-Frankische koninkrijk. In de beginperiode dongen de West-Frankische koningen nog mee naar de keizerstitel, maar kregen die slechts een enkele keer. Reden hiervoor is o.a. dat de West-Frankische koningen zo ver weg woonden dat ze niet precies op de hoogte waren van de politieke situatie in het andere koninkrijk. Uiteindelijk hebben ze hun bemoeienissen met het andere deel van het voormalige Karolingische Rijk opgegeven. Aldus werd de benoeming van de keizer een interne aangelegenheid van het Oost-Frankische koninkrijk. Dit koninkrijk en het keizerrijk vielen in de praktijk steeds meer samen, hoewel de keizer als wereldlijke tegenhanger van de paus optrad. Aldus konden de regionale machthebbers in het Oost-Frankische koninkrijk bepalen hoe de keizer werd gekozen en op die manier kon de titel Heilig Roomse Rijk der Duitse naties ontstaan. Het Heilige Roomse Rijk kende dus zowel een koning als een keizer. Deze hoefden niet dezelfde persoon te zijn, maar waren dat vaak wel; een machtig persoon die je tot koning kiest, kun je de keizerstitel niet onthouden. De koning van het koninkrijk werd de Rooms-koning genoemd. Gekozen worden tot koning was vaak, maar niet altijd het voorstadium om keizer te worden. Deze tweefasenstructuur is altijd blijven bestaan. Uiteraard hangt dat samen met de ontstaansgeschiedenis van het keizerschap, maar ook met de ideologie van het keizerschap. De keizer belichaamde een hoger ideaal dan een koning, namelijk wereldheerschappij versus een lokale machthebber, de koning. Lodewijk XIV van Frankrijk waarschuwde zijn opvolger in zijn testament voor deze ambities van de keizer. Die waren onlosmakelijk verbonden met de keizerstitel, ongeacht of de keizer in de praktijk zo machtig was of niet. Lodewijk waarschuwde dus ca. 700 jaar nadat de West-Frankische koningen waren opgehouden met meedingen naar de keizerstitel, toch nog even zijn opvolger. Duitse natie?In tegenstelling tot wat de toevoeging "der Duitse natie" suggereert, was het Roomse Rijk geen Duitse natiestaat in de moderne zin van het woord. Hoewel het grootste deel van de onderdanen en regeerders in het Rijk van Duitse afkomst was, bestonden er vanaf het begin verschillende etnische variëteiten binnen het Rijk. Talrijke van zijn belangrijkste edelen en leiders kwamen echter van buiten het Duitssprekende gebied. Op het hoogtepunt van zijn macht bestond het Rijk uit het huidige Duitsland, Oostenrijk, Slovenië, Zwitserland, België, Nederland, Luxemburg, Tsjechië en ook uit oostelijke delen van Frankrijk, het noorden van Italië en het westen van het moderne Polen (Silezië en hertogdom Pommeren). Afgezien van de Tsjechische gebieden in het koninkrijk Bohemen, en de Slavische gebieden van Slovenië en oostelijk Opper-Silezië, was de meerderheid van de inwoners Duitstalig. Het land was echter gedurende het grootste deel van zijn bestaan niet veel meer dan een soort confederatie. In de Middeleeuwen ging de macht van het rijk spoedig achteruit en verloor de keizer meer en meer macht aan de hertogen onder hem. Na 1250 had de keizer nauwelijks nog gezag buiten zijn eigen bezittingen (de zogenaamde "Hausmacht"). Door de Investituurstrijd tussen de keizer en de paus (11e-12e eeuw) werd het aanzien van het rijk sterk verzwakt. Duits koning / keizerDe kroningen van de keizers van het Heilige Roomse Rijk waren geënt op de kroning van Karel de Grote in 800. Een toekomstig keizer moest eerst en vooral koning van de Duitsers worden. Duitse koningen werden al eeuwen verkozen, in de 9e eeuw door de leiders van de vijf belangrijkste stammen (de Franken, de Saksen, de Beieren, de Zwaben en de Thüringers), later werden deze koningen verkozen door drie bisschoppen, de paltsgraaf en de drie voornaamste hertogen. Later werd een college van keurvorsten ingesteld. Dit college werd officieel samengesteld in 1356. Oorspronkelijk waren er zeven kiesgerechtigden, maar dit aantal wijzigde in de loop van de eeuwen. Tot 1508 reisde de nieuw verkozen koning naar Rome om zich door de paus tot keizer te laten kronen. Nooit kon de keizer autonoom het rijk besturen. Zijn macht werd sterk ingeperkt door de verschillende lokale leiders. Na de 15e eeuw werd de Rijksdag opgericht als het wetgevende orgaan van het Rijk. Deze Rijksdag was een vergaderend orgaan dat op verschillende locaties samenkwam. Pas na 1663 zou de Rijksdag een permanent orgaan worden en werd hij vast in Regensburg gevestigd ("Immerwährender Reichstag").
RijksstatenEen deelstaat werd aangezien als Reichsstand (Rijksstaat of Rijksstende) wanneer ze geen andere autoriteiten boven zich had dan de Keizer. Deze staten waren:
Het aantal van deze gebieden was erg groot. Toen de Vrede van Münster getekend werd, bestond het rijk uit honderden deelstaten, waarvan een heleboel niet groter waren dan enkele vierkante kilometers. Anderen hadden geen grondgebied; het waren stiften of, zoals aan het einde van het bestaan van het Rijk voorkwam, vorsten die zonder grondgebied te bezitten lid waren van de Rijksdag. Voor het aantal Rijksstaten van 1792, zie de Lijst van leden van de Rijksdag (1792) en de Lijst van leden van de Rijksdag (1803) . RijksdagDe Rijksdag was het wetgevende orgaan van het Heilige Roomse Rijk. Zie Rijksdag (Heilige Roomse Rijk) voor een beschrijving. Keizerlijke rechtbanken en institutiesHet Rijk had ook twee rechtbanken: de Reichshofrat, aan het hof van de koning te Wenen, en na de Keizerlijke Hervorming van 1495 ook het Reichskammergericht. Het rijk bezat ook een klein en zwak eigen leger en er waren zelfs " Rijksvestingen " die op kosten van het rijk werden bemand. GeschiedenisVan de oostelijke Franken tot de InvestituurstrijdHet Heilige Roomse Rijk werd gesticht in 962 door Otto I. Sommigen vinden echter dat het rijk gesticht werd toen Karel de Grote tot eerste (Westerse) Keizer werd gekroond in 800 sinds het afdanken van Romulus Augustulus in 476. Karel noemde zichzelf echter meestal de Koning van de Franken. Dit Frankische Rijk omvatte zowel het hedendaagse Frankrijk als Duitsland en Noord-Italië. Karel werd opgevolgd door zijn enig overgebleven zoon, die ook de keizerstitel overnam, Lodewijk de Vrome zodat het rijk nog verenigd bleef. Toen deze stierf had hij echter drie zonen die allen naar Frankisch erfrecht aanspraak maakten op een gedeelte van het rijk. Veel geschiedkundigen zien de stichting van het Rijk dan ook als het einde van een proces dat begon bij deze definitieve splitsing van het Frankische rijk bij het Verdrag van Verdun in 843. In eerste instantie werd het rijk in drie stukken verdeeld: een westelijk, een midden- en een oostelijk rijk. De Karolingische dynastie werd eveneens gesplitst. Het middenrijk ging naar de oudste zoon Lotharius die tevens de keizerstitel kreeg. Het werd na diens dood in 855 verdeeld onder diens drie zonen maar al snel werden deze versnipperde gebieden verdeeld tussen het sterkere Oost-Frankische en West-Frankische rijk. Het oostelijke deel werd bezit van Karloman van Beieren die tevens de keizerstitel overnam. Karloman werd opgevolgd door enkele Karolingers, tot aan de dood van Lodewijk het Kind, die de laatste oostelijke Karolinger was. De leiders van Alamannië, Beieren, Frankië en Saksen verkozen hierop Koenraad I van Frankenland tot koning in 911. Zijn opvolger, Hendrik de Vogelaar, werd aanvaard door het West-Frankische Rijk in 911, en noemde zich rex Francorum orientalium (koning van de Oostelijke Franken). Hendrik stelde zijn zoon Otto aan als opvolger, die werd verkozen in Aken, in 936. Zijn latere kroning als Keizer Otto I in 962 betekende het officiële begin van het Heilige Roomse Rijk. Toen Hendrik II in 1024 zonder opvolgers stierf werd Koenraad II verkozen tot koning. Hij was de eerste van de Saliërs. Het Rijk stortte bijna ineen tijdens de Investituurstrijd, toen paus Gregorius VII koning Hendrik IV in de ban deed. Hoewel deze beslissing ongedaan werd gemaakt na de Tocht naar Canossa in 1080, waren de mythische eigenschappen van het rijk aangetast; de Duitse koning was vernederd. Belangrijker was nog de intrede van de kerk als een onafhankelijke factor in het politieke systeem van het Rijk. HohenstaufenKoenraad III werd in 1138 verkozen als eerste keizer van de Hohenstaufen-dynastie. Frederik Barbarossa noemde als eerste het Rijk 'Heilig'. Barbarossa verstevigde de eenheid van zijn land door de plaatselijke hertogen te verbieden hun onderlinge vetes uit te vechten. Nieuwe steden werden gesticht, zowel door de keizer als door de plaatselijke hertogen. Dit gebeurde vooral om de bevolkingsexplosie op te vangen, maar ook om de economische kracht van het rijk op strategische plaatsen te concentreren. Voorbeelden van deze steden zijn Freiburg en München. De regeerperiode van de laatste Hohenstaufer Frederik II was in vele opzichten verschillend van die van eerdere keizers. Hij werd gekroond in 1220, en riskeerde een conflict met de paus toen hij de macht over Rome opeiste. Hij kon echter wel Jeruzalem veroveren in een Kruistocht in 1228 terwijl hij nog altijd in de ban was. De machtsstrijd van de deelgebieden na de StaufersNa de dood van Frederik II in 1250 kon geen enkele dynastie een waardige koning voorstellen, en de leidende hertogen stelden zelf enkele koningen voor. De periode tussen 1246, wanneer Hendrik Raspe en Willem II van Holland tot koning werden verkozen, tot 1273, met Rudolf I van Habsburg als koning, staat bekend als het Interregnum. Rudolf en zijn opvolgers zagen het Rijk echter alsmaar meer uit elkaar vallen. Tijdens de 15e eeuw veranderden de deelstaten zichzelf in voorgangers van moderne staten. Het proces varieerde van staat tot staat, en ging sneller in gebieden die ongeveer overeenkwamen met de landen van de oudere Germaanse stammen, zoals Beieren. RijkshervormingDe grondwet van het rijk was grotendeels nog niet vastgelegd aan het begin van de 15e eeuw. Hoewel enkele procedures en instellingen vastlagen, hingen de mogelijkheden van de hertogen om zich onafhankelijk te gedragen in het Rijk vooral af van de persoonlijkheid van de respectieve koning. Toen Frederik III, die grotendeels binnen zijn kroondomein verbleef, de oude kernlanden verwaarloosde, viel het oude regeringsorgaan, de Hoftag, uit elkaar. De Rijksdag bestond nog niet, waardoor het rijk onbestuurbaar werd. Uiteindelijk ontstonden zelfs interne oorlogen. Op hetzelfde moment ging ook de kerk door een periode van crisis. Het conflict tussen verschillende pausen werd pas opgelost in 1418, en na 1419 werd veel energie gestoken in het bevechten van de "ketterij" van andersdenkenden. Het middeleeuwse idee van een verenigd Corpus christianum, waarvan de paus en het Rijk de leiding in handen hadden, begon uiteen te vallen. Tijdens deze drastische veranderingen gingen dan ook stemmen op om de structuur van het Rijk te veranderen. Regels uit een ver verleden waren niet meer relevant, en een versterking van het gecentraliseerd bestuur werd noodzakelijk geacht. Toen Frederik III de hertogen nodig had om zijn oorlog tegen Hongarije te financieren in 1486 en zijn zoon, de latere Maximiliaan I, tot koning werd verkozen, eisten de hertogen een samenkomst. Voor de eerste keer werd de vergadering van kieshertogen en anderen de Rijksdag genoemd. Hoewel Frederik weigerde dit nieuwe orgaan bijeen te roepen, ging zijn zoon na de dood van zijn vader akkoord. In Worms werd de Reichstag voor het eerst samengebracht in 1495. Hier werd de Rijkshervorming goedgekeurd, waardoor het Rijk terug wat structuur zou krijgen. Pas in 1512 zou dit volbracht zijn, door het samenbrengen van tien landen binnen het Rijk binnen een nieuwe organisatiestructuur, de kreitsen. In hetzelfde jaar kreeg het Heilige Roomse Rijk ook een nieuwe naam, vanaf dan zou het Rijk het Heiliges Römisches Reich deutscher Nation ("Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie") heten. In 1559 tenslotte werd met het Verdrag van Cateau-Cambrésis tussen de koningen van Engeland, Frankrijk en Spanje de westgrens van het rijk verlegd van de Schelde naar het zuiden. De Schelde had al zeker 600 jaar gegolden als westgrens. Voor Filips II die binnen het gebied van de Nederlanden zo goed als alles bezat betekende het dat hij nu niet meer voor een deel van zijn gebieden gezien werd als vazal van de Franse koning.
Deze keizerskroon van Rudolf II, keizer van het Heilige Roomse Rijk, was een van de gebruikte kronen.
Crisis na de reformatieToen Maarten Luther in 1517 de Reformatie startte, zagen veel plaatselijke hertogen een kans om de Keizer nog meer macht afhandig te maken. Na enkele decennia van oorlog en verwarring besloot de Rijksdag van Augsburg op 25 september 1555 tot een Godsdienstvrede. Voortaan zou de landsheer bepalen welke religie zijn onderdanen zouden aanhangen. Daarmee was de geloofskwestie slechts tijdelijk geregeld. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648), was de laatste grote oorlog in continentaal Europa waarbij de tegenstelling tussen protestanten en katholieken een hoofdrol speelde. De Duitse Katholieke Liga en de Protestantse Unie stonden tegen over elkaar en vele Europese mogendheden raakten om hun eigen redenen betrokken in de strijd. Op Duits grondgebied leidde dit tot ongekende verwoestingen en slachtpartijen. Een dieptepunt was wat in de Duitse geschiedschijving bekendstaat als de 'Magdeburger Hochzeit', waarbij in 1631 het Saksische Magdeburg door de keizerlijke troepen geheel werd platgebrand en zo'n 20.000 burgers werden afgeslacht. De machtsstrijd tussen de hertogen en de Keizer was ook een factor van belang. Dat godsdienst niet meer zo belangrijk was als in de 16e eeuw bleek uit het feit dat het katholieke Frankrijk de kans waarnam om met hun katholieke Habsburgse rivalen af te rekenen. De Spaanse Habsburgers werden tot tweederangsmogendheid gedegradeerd en in het Duitse Rijk werd politieke verdeeldheid gezaaid waarvan het pas in 1870 zou herstellen. Feitelijke bondgenoten van Frankrijk waren daarbij de protestantse Nederlandse Republiek en Gustaaf II Adolf van Zweden, die een bekwaam veldheer was en zijn land op de kaart zette als grote mogendheid in Noord-Europa door zijn krachtige interventies ten gunste van de protestanten, al liet hij hier zelf het leven bij in 1632. Na de Vrede van MünsterHet einde van het Rijk was te wijten aan verschillende oorzaken. Na de Vrede van Münster in 1648, die de interne gebieden bijna volledige onafhankelijkheid gaf, was het Rijk niet meer dan een samenraapsel van verschillende staten. De keizer had alleen nog macht in zijn persoonlijke gebieden en mocht zich niet meer bemoeien met de aangelegenheden van de andere staten. Op papier bestond het rijk nog steeds maar in feite was het een lege huls geworden. Voltaire noemde het Rijk in dit stadium dan ook noch heilig, noch Romeins, noch een rijk. In 1648 werd naast de constitutionele onafhankelijkheid van de Duitse staten ook de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse Confederatie officieel bevestigd. Overigens waren al een eeuw eerder (1548) met de stichting van de Bourgondische Kreits de Nederlanden zo goed als los van het Rijk komen te staan. Zij waren toen al niet meer onderhorig aan de Duitse landdag en hadden hun eigen Staten-Generaal en betaalden alleen nog een bescheiden jaargeld aan de persoon van de keizer die daarvoor de belofte deed de Nederlanden te beschermen. Keizer Karel V kon dat makkelijk doen omdat hij persoonlijk de Nederlanden in bezit had. De implosie van het RijkVanaf 1648 kwam binnen het Rijk het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen sterk op onder de Hohenzollern. Ofschoon hun etnisch voornamelijk Duitse kernlanden Oost-Pruisen en West-Pruisen, evenals overigens Danzig (Koninkrijk Polen), niet tot het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie behoorden, betwistten de Hohenzollern de Oostenrijkse Habsburgers in hun aloude dominante positie onder de Duitse landen. In de 18de eeuw leidde deze rivaliteit tot o.a. de Zevenjarige oorlog tussen Oostenrijk en Pruisen zoals Brandenburg-Pruisen sinds 1701 bekend stond toen het vorstendom tot koninkrijk verheven werd. Nadien werd de invloed van Frankrijk steeds groter totdat dit land zelfs, na de Franse revolutie, het grootste deel van het Roomse Rijk bezette. Het Rijk werd officieel ontbonden op 6 augustus 1806, toen de laatste Keizer, Frans II, aftrad nadat zijn Rijk was overwonnen door Napoleon Bonaparte. Frans II was reeds sinds 1804 ook Frans I van het nieuwe Keizerrijk Oostenrijk. Leden van zijn geslacht zouden tot 1918 keizer van Oostenrijk blijven. Het Rijk was nu opgeheven maar door de Franse revolutie en de daarop volgende verspreiding van de denkbeelden ervan had ook het nationalisme wortelgeschoten in de Duitse landen. Er ontstond na de Franse tijd een streven naar een 'hereniging' van de Duitstalige landen die vroeger het Roomse Rijk vormden. De vraag was of dit weer onder leiding van Oostenrijk en de Habsburgers moest zijn (de Groot-Duitse richting) of onder Pruisen en de Hohenzollers met uitsluiting van Oostenrijk (de Klein-Duitse richting). Het werd tenslotte deze laatste richting bij de stichting van het (tweede) Duitse keizerrijk. De heraldiek en de regaliaDe keizers van het Heilige Roomse Rijk werden eerst tot Rooms koning gekroond in Aken en later in Frankfurt. De daarvoor benodigde regalia bestonden uit de kroon, de scepter, de rijksappel, kroningskledij en een psalter (gebedsboek). Deze werden aanvankelijk bewaard op de rijksburcht Trifels en later in de rijksstad Neurenberg. Bij de kroning waren er ceremoniële taken weggelegd voor de dragers van de aartsambten (Erzämter): de Rijksaartskamerheer, de Rijksaartsschatmeester, Rijkserfmaarschalk, de Rijksopperstalmeester en de Rijksaartskanseliers voor Duitsland, Italië en Bourgondië. Geen van deze functies bracht werkelijke macht met zich mee. Karel de Grote plaatste een adelaar in het hof van zijn palts in Aken. Adelaren, symbolen van kracht en macht waren al bij de Goten geliefde tekens van heerschappij. Onder de Ottonen-dynastie wordt men zich meer bewust van de Romeinse traditie van de adelaar. Konrad II plaatst een adelaar op zijn scepter. In de tijd dat de heraldiek ontstaat, gaat men een éénkoppige adelaar van goud of zwart al snel als het wapendier van het rijk zien. Onder Hendrik VI zien we voor het eerst een zwarte adelaar op een schild. Zwart en goud golden al in de 13e eeuw als de kleuren van de koning/keizer, dit ter onderscheiding van de oorspronkelijke rijkskleuren rood en wit. [1] In de 13e eeuw wordt eerstmaals een dubbelkoppige adelaar als wapendier voor de keizer gebruikt. Onder keizer Karel IV wordt dit definitief, maar het is Sigismund die als eerste keizer ook zelf de zwarte dubbeladelaar op een gouden veld als wapen voert. De dubbelkoppigheid werd gezien als symbool voor de macht van het Oost- en West-Romeinse rijk en ook als teken van keizerlijke plicht om zowel de geestelijke als de wereldlijke orde te handhaven. Keizer Sigismund voorziet de dubbeladelaar rond 1430 bovendien van een aureool of nimbus achter de koppen, dit naar het voorbeeld van de Johannes-adelaar die symbool stond voor de evangelist Johannes.[2] Sindsdien blijft deze adelaar tot het einde van het rijk in 1806 min of meer onveranderd. Keizer Frederik III plaatst nog wel op de buik van de adelaar een hartschild, met daarop de wapens van zijn erflanden. Dit gebruik zouden alle latere keizers volgen. Daarnaast voegden heraldische tekenaars ook nog wel kronen, zwaard, scepter, rijksappel en schildhouders aan het wapen toe. De wapens met adelaar van het Keizerrijk Oostenrijk, Het tweede rijk, De Weimarer republiek, Hitler- Duitsland en de Bondsrepublieken Duitsland en Oostenrijk zijn allen voortzettingen van deze eeuwenoude heraldische traditie. De Duitse Democratische Republiek brak met die traditie en koos een nieuw wapen volgens de socialistische heraldiek, dus zonder adelaar. Sinds 1950 lijkt de adelaar van de Bondsrepubliek weer sterk op die van de Hohenstaufen uit de 12e eeuw. Toen de Bondsdag in 1990 naar Berlijn verhuisde debatteerde dit parlement over de vorm van de adelaar. Moest het de "vette kip", spotnaam voor de vriendelijker uitziende corpulente adelaar blijven of koos men de oude, agressief aandoende magere adelaar? De Bondsdag koos een adelaar die zo vreedzaam was als een grote roofvogel maar zijn kan. Duitse Tweede en Derde RijkNaar de ideeën van Arthur Moeller van den Bruck noemden de nazi's het Heilige Roomse Rijk later het Eerste Rijk der Duitse natie. Het Duitse Keizerrijk was dan het Tweede Rijk en hun eigen rijk het Derde Rijk. Zie ook
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.