|
Article on other languages:
|
Klassieke muziek is de westerse kunstmuziek waarbij meestal genoteerde composities centraal staan. Onder klassieke muziek valt ook de muziek uit de klassieke periode, en de moderne klassieke muziek. Het tegengestelde van klassieke muziek is lichte muziek. Eigentijdse muziek is de verzamelnaam voor alle muziek, inclusief popmuziek, van na 1900.
De geschiedenis van de klassieke muziekDe geschiedenis van de klassieke muziek wordt onderverdeeld in een aantal perioden. OudheidDe huidige in de westerse muziek gebruikte toonladder, bestaande uit 12 tonen, heeft zich globaal historisch ontwikkeld vanuit 3 tonen rond 1 toon, naar 5 tonen (de pentatoniek); Vervolgens naar 7 tonen (de diatoniek) en tenslotte naar 12 tonen (chromatiek). De geschiedenis van de "westerse" muziek begint met een uit het (midden)-oosten en rondom het oude Griekenland overgenomen diatoniek. Van de Oudgriekse muziek zijn geen partituren bewaard gebleven, al kunnen er wel reconstructies gemaakt worden op basis van overgeleverde beschrijvingen. Een belangrijke componist, van wie er nog enkele hymnes bewaard zijn gebleven, is Mesomedes van Kreta (eerste eeuw na Christus). Van de Romeinse muziek is nog veel minder bewaard gebleven: slechts één, in de Renaissance gereconstrueerde frase uit een toneelstuk van Terentius. De belangrijkste invloed die de Oudheid op de ontwikkeling van de klassieke muziek heeft gehad, is van muziektheoretische aard. Pythagoras construeerde zijn diatonische toonladder met zuiver reine kwinten. Aristoxenos was de eerste muziektheoreticus die onderscheid maakte tussen verschillende toonladders. Vroege Middeleeuwen (500-1000)In de vroege middeleeuwen is de ontwikkeling van de klassieke muziek gebonden aan de ontwikkeling van de kerkmuziek. De in de kerk gezongen melodieën waren voornamelijk uit Azië afkomstig. Deze melodieën ondergingen een verandering: zij werden ontdaan van hun versieringen, zodat slechts de belangrijkste tonen overbleven. Deze kerkgezangen werden vanaf de 6e eeuw verzameld en gecodificeerd op last van paus Gregorius de Grote (paus van 590 tot 604). Deze verzameling staat sindsdien bekend als Gregoriaanse muziek: het zijn alle eenstemmige gezangen. Middeleeuwen (1000-1450)De belangrijkste vernieuwing in de Middeleeuwen, is de polyfonie, de meerstemmigheid. Omdat in de meerstemmigheid de terts het belangrijkste interval is, moest een nieuwe toonladder worden geconstrueerd, op basis van de consonantie van tertsen. Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, waarbij de noot als een punt (Latijn: punctus) op een balk met lijnen werd genoteerd. Bij polyfone muziek klinken meerdere noten tegelijkertijd, noot tegen noot (Latijn: punctus contra punctus); met het contrapunt was ook het beroep componist geboren. De volgende stijlen kunnen worden onderscheiden: Organum (11e eeuw), Ars Antiqua (ca 1100-1300), Ars Nova (ca 1300-1450), Trecento (Italiaanse muziek uit de 14e eeuw) en Ars Subtilior (ca 1425-1450). Renaissance (1450-1600)De muzikale ontwikkelingen in de Renaissance kunnen als volgt worden samengevat: wijziging van in het notatiesysteem (meer 'open', witte notatie dan zwarte); naast religieuze steeds meer profane en instrumentale muziek; striktere regels betreffende consonantie en dissonantie; meer aandacht voor de relatie tekst-muziek; internationale verspreiding van het polyfone repertoire, onder meer door de opkomst en het succes van de muziekdruk. In de Renaissance waren het vooral de componisten uit de Lage Landen (het huidige Nederland, België en Noord-Frankrijk) die voor deze vernieuwingen instonden. Belangrijke namen - uit de meer dan honderd die kunnen geciteerd worden - zijn hierbij Guillaume Dufay, Ockeghem, Pierre de la Rue, Jacob Obrecht, Nicolas Gombert, Clemens non Papa, Willaert, Orlandus Lassus (Roland de Lassus, Orlando di Lasso), Josquin Des Prez en Philippus De Monte. De laatste grote Renaissance componist was de Romein Palestrina (1525-1594). Barok (1600-1750)Rond 1600 verandert de stijl van de gecomponeerde muziek in minder dan vijf jaar tijd. De monodie met zijn systeem van basso continuo, en de harmonie doen hun intrede, en daarmee de cadensen. In deze periode worden ook de meeste moderne muziekinstrumenten ontwikkeld: de strijkinstrumenten (zij het nog met een kortere strijkstok) en de blaasinstrumenten (zij het nog zonder het moderne kleppensysteem). Tot aan de barok waren de belangrijkste ontwikkelingen steeds aan een overwegend vocale uitvoeringspraktijk gekoppeld. Vanaf de barok neemt de instrumentale muziek deze leidende rol over. Tot de belangrijkste componisten worden gerekend: Claudio Monteverdi, Dietrich Buxtehude, Johann Pachelbel, Antonio Vivaldi, Georg Friedrich Händel en Johann Sebastian Bach. De barok wordt over het algemeen geacht te eindigen met de dood van Bach in 1750. Classicisme (1750-1810)Aan de periode van het classicisme ontleent de klassieke muziek haar naam. Binnen de muziekgeschiedenis is zij echter zeer kort, en omvat hoofdzakelijk de werken van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn (1e Weense School). Soms worden ook de vroege werken van Ludwig van Beethoven hiertoe gerekend. Een van de belangrijkste vernieuwingen, oorspronkelijk afkomstig uit de zogenaamde Mannheimer Schule, is het integrale gebruik van tekens om de dynamiek te noteren (zoals p voor zacht en f voor sterk, luid). Voorts blijft de muziek hoofdzakelijk tonaal, maar kent een grote verandering, langzamerhand wordt het contrapunt vervangen door de harmonie en begint de pianoforte aan een sterke opmars, ze maakt de weg vrij voor de triomftocht van de piano. In de periode van het classicisme ontstaan nieuwe vormen: de sonatevorm, de symfonie; en nieuwe bezettingen: het strijkkwartet en het (dan nog kleine) symfonieorkest. Romantiek (1810-1910)In de romantische periode van de klassieke muziek maken componisten steeds grotere composities met steeds meer noten, moeilijkere ritmes en steeds complexere harmonische ontwikkelingen. Ze gebruiken veel en vreemde, niet eerder toegepaste muziekinstrumenten. Er is veel drama en emotie te horen. Alles draait om wat mensen voelen, fantasie en de natuur. De tendens van de muzikale ontwikkelingen in de 19e eeuw is afkomstig uit de vooruitgangsgedachte uit de Verlichting, en leidde tot steeds grotere werken, steeds grotere orkesten, steeds virtuozere speeltechnieken op steeds verbeterde muziekinstrumenten en steeds complexere harmonische ontwikkelingen. Klassieke muziek uit de 20e eeuw
Klassiek muziek uit de 20e eeuw, de Europese klassieke muziek van na 1900 heeft een wijde variatie, beginnend bij de late romantische stijl van Sergei Rachmaninoff, het impressionisme van Claude Debussy en Maurice Ravel, en vervolgd door Béla Bartók en het Neo-Classicisme van Igor Stravinsky tot aan het tegengestelde serialisme van Pierre Boulez, de minimale muziek van Steve Reich en Philip Glass, de muziek concrete van Pierre Schaeffer, de microtonale muziek van Harry Partch en de aleatorische muziek van John Cage, de elektronische muziek van Karlheinz Stockhausen. Als algemene overeenkomst van al deze verschillende genres is het toenemende gebruik van dissonantie in de compositie. Om deze reden wordt de 20e eeuw soms ook wel de dissonante periode genoemd. Tijdslijn componisten
Vormen en genresAria - Cantate - Concert - Mis - Opera - Oratorium - Orkestsuite - Ouverture - Sonate - Strijkkwartet - Symfonie - Wals Componisten en uitvoerende musiciVoor componisten, dirigenten, violisten, pianisten, vocalisten en overige musici: zie de betreffende pagina's. Zie ook
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.