|
Article on other languages:
|
Hoewel korstmossen (of lichenen) op het eerste gezicht plant-achtige organismen lijken, zijn ze in werkelijkheid de innige symbiose (te weten: mutualisme) van twee verschillende typen van organismen: een schimmel en een groenwier of een blauwalg (Cyanobacteria). Soms zijn deze zo sterk met elkaar verbonden dat ze buiten het samenwerkingsverband geen overlevingsmogelijkheid bezitten. Aan de buitenkant zit de schimmel, die dus ook de grove vorm van het korstmos bepaalt. De algen verzorgen de fotosynthese, en produceren daarbij in plaats van de suiker die normaal gesproken wordt geproduceerd, speciale suikeralcoholen die door de schimmel kunnen worden gebruikt. De algen hebben ook voordeel van de schimmel:
NaamgevingKorstmossen krijgen een formele, wetenschappelijke naam volgens de ICBN op grond van de schimmelcomponent (mycobiont), de naam van een korstmos verwijst naar de schimmel. Niet alle korstmossen zijn direct aan elkaar verwant: de term "korstmos" kunnen we alleen gebruiken om de levenswijze (ecologie) van de schimmel aan te duiden. De meeste korstmossen vinden we in de ascomyceten, maar er zijn ook enkele echte paddenstoelen die met algen samenleven. Hoewel de Nederlandse naam korstmos verwijst naar de korstvormige groeiwijze, hebben veel andere korstmossen een bladvormige of struikvormige groeiwijze. In 1948 is er een poging ondernomen (door Besemer en van der Wijk in Flora en Fauna) de naam mors ingang te doen vinden, om aan te geven ze niets met mossen te maken hebben. Vaak wordt ook gesproken van lichenen. LeefwijzeVeel korstmossen groeien zeer traag (soms niet meer dan 0,1 mm per jaar), en groeien daarom vooral daar waar ze niet door zaadplanten kunnen worden verdrongen. Men vindt ze bijvoorbeeld vaak op kale rots (bijvoorbeeld grafstenen en muren), waar ze in tegenstelling tot echte planten op kunnen leven, en soms zelfs in door kunnen dringen. Ze vragen niet veel voedingsstoffen, en kunnen die vaak halen uit het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, vaak jarenlang, in een rustfase blijven, en na toevoeging van water weer tot leven komen. Daarom vormen ze een belangrijke component van het leven in de poolgebieden en het hooggebergte, waar water grote delen van de tijd alleen in bevroren (en dus onbruikbare) toestand voorkomt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het rendiermos dat een groot deel van het jaar het enige voedsel van de rendieren in Lapland vormt. Ook zijn korstmossen een van de weinige organismen die een verblijf van twee weken in het vacuüm en de extreem sterke UV-straling van het heelal kunnen doorstaan. Over de voortplanting van korstmossen is niet veel bekend. Vermeerdering vindt plaats door sporen, die over grote afstanden door de lucht verspreid worden, en dan, als op de landingsplaats een geschikte alg wordt gevonden, een nieuwe plant vormen. Veel korstmossen hebben ook een aseksuele wijze van verspreiding, waarbij de schimmel en de algen samen blijven, zogenaamde sorediën (poeder) of isidiën (staafjes) en grotere fragmenten. MilieuKorstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging. Sommige soorten verdwijnen in gebieden waar de concentratie zwaveldioxide (SO2) hoog is. De aan- of afwezigheid van korstmossen wordt daarom wel gebruikt als een indicator voor luchtverontreiniging. In gebieden waar veel ammoniak in de lucht zit (uit de landbouw) verdwijnen sommige korstmossoorten. Andere soorten groeien echter beter met ammoniak, zoals Groot dooiermos (Xanthoria parietina). Baardmossen en struikvormige korstmossen zijn het gevoeligst voor luchtverontreiniging, korstvormige korstmossen minder. De laatste jaren zijn de korstmossen in Nederland en België zich weer aan het herstellen, doordat de SO2-uitstoot is verminderd sinds er minder kolen worden gebruikt in elektriciteitscentrales en voor verwarming van woningen. Door regulering in de landbouw wordt daar ook minder ammoniak uitgestoten. Rode LijstOp de Nederlandse Rode Lijst Korstmossen zijn 323 soorten vermeld, ingedeeld in acht categorieën van verdwenen tot gevoelig. Zie ookLiteratuur
Externe links
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.