Meeldraad

Article on other languages:

del.icio.us del.icio.us
Digg Digg
Furl Furl
Reddit Reddit
Rojo Rojo
Add to OnlyWire
Helmhokje met rugzijde aan helmdraad bij poederkwast
Wasachtige pollinia van Phalaenopsis
Kokervormige helmhokjes bij kerstroos
Platte helmhokjes bij aardbei
Mannelijke bloeiwijze bij maïs
Rasterelektronenmicroscopische afbeelding van de helmhokjes van Penta lanceolata met stuifmeelkorrels op het oppervlak.
Dwarsdoorsnede helmknop van een lelie
Meeldraad: k=helmbindsel, 4 helmhokjes met bij 1 microspore moedercellen, bij 2 vorming van stuifmeelkorrels en bij 3 rijpe stuifmeelkorrels, s=naad waarlangs het helmhokje openbarst.
Meeldraad schematisch: 1=helmdraad, 2=helmhokje, 3=helmbindsel, 4=microspore moedercellen.

Een meeldraad (stamen) is een onderdeel van de bloem en bestaat uit een helmdraad (filament) en gewoonlijk twee helmhokjes (theca). De helmhokjes kunnen op twee manieren aan de helmdraad vastzitten: aan de voet (kerstroos) of aan de rugzijde (poederkwast). De twee helmhokjes zijn met elkaar verbonden door het helmbindsel (connectivum) wat soms ook verlengd kan zijn.

In de helmhokjes zitten de stuifmeelkorrels, soms als klompje , zoals het pollinium bij de orchideeën. Een klompje zit met een staartje (caudicula) en een hechtschijfje (retinaculum) vast.

De vorm van de helmhokjes varieert. Ook kunnen helmhokjes op verschillende manieren openbarsten: overlangs naar buiten of overlangs naar binnen, met dwarse spleten, met kleppen of met poriën. Bij kerstroos zijn de helmhokjes kokervormig, bij aardbei plat.

Soms zit aan weerszijden van de meeldraad een wrattig knobbeltje of anders gevormd aanhangsel, oortje of auricula genoemd. Soms zitten er in de bloem onvruchtbare meeldraden, die bijna niet tezien zijn en veel op een auricula lijken. Een onvruchbare meeldraad wordt een staminodium genoemd. Bij Parnassia staan in de bloem vijf staminodia, die eindigen in een reeks goudkleurige knopjes die nectar afgeven. Het aantal meeldraden kan variëren van één tot veel per bloem. Bij gevuldbloemigen zijn meerdere of alle meeldraden omgevormd tot kroonbladen. De meeldraden staan in één of meer kransen ingeplant op de bloembodem. Er zijn verschillende termen voor de wijze waarop de meeldraden staan ingeplant:

  • haplostemoon: met één krans van meeldraden.
  • diplostemoon: met twee kransen meeldraden.
  • obstemoon: meeldraden staan voor de kroonbladen.
  • obdiplostemoon: de laagste krans van meeldraden staan voor de kroonbladen.

De helmdraad kan lang of zeer kort zijn met alle variaties daartussen in. Bij windbestuivers zijn de helmdraden lang. Soms heeft de ene krans van meeldraden een andere lengte dan de andere krans. Witte dovenetel heeft twee lange en twee korte meeldraden. Akelei heeft éénbroederige meeldraden met kranzen van ongelijke lengte. Bij éénbroederige meeldraden zijn de meeldraden met elkaar vergroeid; bij tweebroederige meeldraden staan de meeldraden los van elkaar op de bloembodem zoals bij tulp. Ook kan de dikte van de helmdraad variëren. Tulp heeft een zeer dikke, de kievitsbloem daarentegen een dunne helmdraad.

Er zijn tweeslachtige bloemen, dus met meeldraden en stamper en er zijn éénslachtige bloemen met alleen meeldraden of alleen stampers. Op de foto van suikermaïs is de bloeiwijze met alleen mannelijke bloemen te zien. Vooral de buiten de bloem hangende helmhokjes zijn duidelijk waarneembaar.

Stuifmeelvorming en bevruchting

In de helmhokjes vindt de vorming van stuifmeelkorrels (pollen) plaats. Bij de vorming van de meeldraad veranderen vier groepjes van meristematische cellen in vier stuifmeelkorrelmoederzakken (microsporangiën). Twee per helmhokje. Een pollenmoederzak bestaat uit voedingsweefsel (tapetum), waarbinnen de stuifmeelkorrelmoedercellen (microspore moedercellen) liggen, welke uitgroeien tot stuifmeelkorrels. Door meiose ontstaan uit de microsporen eerst twee cellen (een dyade) en vervolgens een klompje van vier cellen (een tetrade). De cellen van de tetrade maken zich van elkaar los en vormen de haploïde microsporen. De buitenwand om deze microspore verdikt onder invloed van zowel het tapetum als de microspore tot de excine. Daarbinnen wordt door de microspore een binnenwand (intine) gevormd. Vervolgens deelt de microspore zich via een mitotische celdeling in tweeën, de generatieve cel en de vegetatieve kern. De vegetatieve kern zorgt ervoor dat de pollenbuis in de goede richting groeit, waarna deze kern verdwijnt (degenereerd). De stempelpapillen zijn bedekt met een cuticula.

Wanneer de stuifmeelkorrel in aanraking komt met een stempel zwelt deze op doordat water wordt opgenomen door osmose. Hierdoor gaat het cytoplasma door de celwand naar buiten en vormt het begin van de stuifmeelbuis. De stuifmeelbuis maakt een ronde opening in de cuticula en begint hierna tussen de cellen van het geleidingsweefsel van de stijl door te groeien in de richting van het zaadbeginsel, waarbij het zich een weg door de stijl baant.

Bij sommige planten (lelies is er geen geleidingsweefsel maar een open stijlkanaal. De generatieve cel deelt zich via een mitotische deling nog een keer in twee generatieve cellen (spermacellen). De pollenbuis groeit door een opening (micropyle) van het vruchtbeginsel de embryozak in. In de pollenbuis verplaatsen de twee spermacellen zich naar de embryozak. Éen van deze spermacellen versmelt met de eicel en de andere spermacel versmelt met de secundaire embryozakkern en vormt zo een triploïde (3n) kern. Deze kern groeit uit tot het endosperm (kiemwit), dat reservevoedsel bevat voor de zich later te ontwikkelen plant.

Zie ook: stamper


Externe links

 

This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.