|
Muurmos of gewoon muursterretje (Tortula muralis) komt waarschijnlijk het meeste van alle mossen op muren en stenen in de stedelijke omgeving voor. Muurmos komt over de hele wereld voor. Het vormt ongever 5 cm hoge kussentjes. In vochtige toestand is het geelgroen, maar droog zijn de bladeren zwartachtig van kleur. Door de lange witte haren en de spitse bladeren hebben de kussentjes dan een zwartgrijze kleur. Muurmos onderscheidt zich van de eveneens veel in het stedelijk gebied voorkomende Gewoon muisjesmos (Grimmia pulvinata) door de langere vruchtsteel (seta) met in vochtige toestand een geelgroene kleur. De onderste bladeren zijn kleiner dan de bovenste, waardoor een kleine bladrozet gevormd wordt. De bladeren hebben een tongachtige vorm en de middennerf vormt een lange chlorofylloze haar. De bladranden zijn omgerold. Het mos plant zich generatief voort met sporen en vegetatief via voorkiemen (protonemata). De sporekapsels staan rechtop op een 1 tot 2 cm lange vruchtsteel (seta). De vruchtsteel is lang cilindrisch en vaak iets gekromd. De peristomiumtanden zijn 2 tot 3 keer linksom gedraaid. (Het peristomium bestaat uit een reeks van hygroscopische tanden bovenaan het sporenkapsel.) De seta is in het begin geelachtig en wordt bij het ouder worden donkerpurper tot bruin. De sporen kiemen in twee fasen. Eerst zwellen ze op en daarna verspreiden ze zich. Gewoonlijk komen er veel vruchtstelen voor, die zich bij wisselende vochtigheid draaien en terugdraaien, waardoor de sporen makkelijker verspreid worden. De sporen kunnen meer dan 16 jaar kiemkrachtig blijven. Vroeger kwam muurmos alleen voor op kalkstenen, maar tegenwoordig groeit het bijna overal, op muren, beton, grafstenen enz. Het groeit zowel op verticale als horizontale vlakken en heeft een voorkeur voor droge standplaatsen.
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.