|
Article on other languages:
|
Een inenting, ook wel vaccinatie genoemd, dient ter training van het afweersysteem van een persoon tegen bepaalde infectieziektes. Hierdoor is de gevaccineerde beter bestand tegen de ziekteverwekker waartegen het vaccin beschermt. Tijdens de zwangerschap krijgt een baby veel antistoffen van de moeder mee, die tot ongeveer twee maanden na de geboorte aanwezig blijven bij de baby. Daarna moet de baby zelf afweerstoffen gaan ontwikkelen. Door vaccins tegen ziektes te geven, ontwikkelt het kind antistoffen tegen deze ziektes, zonder dat het de ziekte doormaakt. Dit biedt bescherming tegen ziektes die soms ernstige gevolgen kunnen hebben. Ook (huis)dieren worden ingeënt, bijvoorbeeld tegen hondsdolheid en niesziekte. Sommige van deze vaccinaties zijn alleen ter bescherming van de dieren, andere (zoals het vaccin tegen hondsdolheid) zorgen ook voor een bescherming van de menselijke bevolking.
Soorten vaccinaties
Inentingen voor specifieke risicogroepen
Inentingen voor reizigers
Inentingen voor alle kinderen: rijksvaccinatieprograma'sIn Nederland en België zijn er rijksvaccinatieprogramma's, waarbij alle kinderen volgens een bepaald schema inentingen kunnen ontvangen. Deze inentingen moeten de kinderen én de gehele bevolking beschermen tegen ernstige infectieziektes. Ongewenste effecten van vaccinatieBij iedere vaccinatie kunnen bijwerkingen optreden. Over het algemeen zijn dit zeer milde bijwerkingen (pijn op de injectieplaats, hangerigheid), die ruimschoots opwegen tegen de risico's die ongevaccineerde mensen lopen. De veiligheid van alle verschillende vaccinaties wordt voortdurend in de gaten gehouden, onder andere door het RIVM. Voor meer informatie hierover: zie Rijksvaccinatieprogramma. In sommige religieuze of new age kringen worden principiële bezwaren geuit tegen vaccinatie. Er wordt daar geloofd dat vaccinatie leidt tot bijvoorbeeld autisme, hersenbeschadiging of andere ernstige problemen. Dat het niet gevaccineerd zijn nog niet tot een grote uitbraak van een ziekte heeft geleid bij deze niet-gevaccineerde mensen is, logisch redenerend, toe te schrijven aan het beschermende effect van de wel gevaccineerde mensen in de omgeving. Dit wordt wel "groepsimmuniteit" genoemd. Geschiedenis van het vaccinerenDe ontdekker van vaccinatie ( van Latijn 'Vacca' = koe )is de Britse arts Edward Jenner die in 1796 opmerkte dat melkmeisjes die besmet waren geweest met koepokken (vaccinia)(aan de handen, door het melken) geen pokken kregen. Door experimenteren ontdekte hij dat ook een opzettelijke besmetting met koepokken mensen bescherming gaf tegen de mensenpokken.Hij was echter niet de eerste die die waarneming deed. Boeren op het platteland in Turkije hadden de gewoonte om zichzelf te beschermen tegen de pokken door zichzelf in aanraking te brengen met het vocht uit een pokkenblaasje van iemand die aan een milde vorm van de pokken leed. Hierdoor kreeg men namelijk vaak zelf ook een milde vorm van pokken, en was daarna beschermd tegen de ernstige variant. Men liep echter toch een klein risico om ook aan deze milde vorm te overlijden. Lady Mary Montague merkte deze gewoonte op tijdens een bezoek aan Turkije, en vertelde hier in Engeland over. Dit verhaal kwam ook Edward Jenner ter ore. Tijdens experimenten hiermee viel hem op dat melkmeisjes de ziekte nooit kregen, zelfs wanneer hij hen bewust besmette. Jenner bracht dit terecht in verband met het feit dat deze meisjes door hun beroep vaak in aanraking kwamen met de koepokken. Zo kwam Jenner rond 1796 op het idee dat men zich tegen besmetting met de gevaarlijke menselijke pokken kon beschermen door een moedwillige inoculatie (of inenting) met de koepokken. Het werk van de Nederlander Geert Reinders omtrent de enting tegen runderpest (in 1774) was ook bekend bij Jenner en kan hem mede geïnspireerd hebben bij zijn experimenten met de pokken. Pasteur ontdekt vaccinaties tegen cholera, miltvuur en hondsdolheidLouis Pasteur nam bij toeval waar dat kippencholerabacteriën (Pasteurella multocida) die gedurende langere tijd gekweekt waren in het laboratorium en daardoor verzwakt waren, slechts een lichte ziekte veroorzaakten, die tegen een latere ernstige infectie beschermde. Hij formuleerde toen de gedachte dat men met een verzwakte smetstof soms milde infecties kan veroorzaken, waardoor bescherming optreedt tegen besmetting met de echte, ernstigere, 'virulente' ziekteverwekker. In korte tijd verkreeg hij door kweken onder abnormale condities verzwakte smetstoffen van miltvuur, varkensvlekziekte en hondsdolheid. Later verkregen andere onderzoekers op soortgelijke wijze 'minder virulente' vaccins. Vaccinaties tegen tyfus, difterie en tetanusSir Almroth Wright (1897) concludeerde dat inspuiting van grote doses gedode bacteriën een soortgelijk effect moest hebben, mits bij het doden de structuur van de bacteriën zo weinig mogelijk veranderde (door verhitting op 56°C, of doding met formaldehyde e.d.). Sir Almroth Wright ontwikkelde zo een werkzaam vaccin tegen buiktyfus. Toen men ontdekte dat de verschijnselen van difterie (Pierre Roux en Alexandre Yersin) en tetanus (Shibasaburo Kitasato) aan exotoxinen te wijten waren, leerde men ook tegen deze ziekten te immuniseren met behulp van toxoïd, d.w.z. met formaldehyde ontgift toxine. Moderne technieken bij het maken van vaccinatiesModerne kennis bracht nieuwe mogelijkheden. Naast dode vaccins ontwikkelde men ook vaccins die slechts uit delen van een ziekteverwekker bestaan, namelijk die delen die het afweersysteem het beste kan aanvallen. Men leerde bij vele infecties welke antilichamen beschermden en welke antigenen of delen daarvan (epitopen) de juiste antilichamen opwekten. In veel gevallen kan men deze antigeen-fragmenten koppelen aan een drager-eiwit of met een recombinant-DNA-techniek het fragment aan het oppervlak van een onschadelijke bacterie laten produceren en hiermee immuniseren. Zo levert een antigeen van het hepatitis B virus dat door gistcellen geproduceerd wordt, een vaccin op tegen Hepatitis B (Maurice Hilleman 1984). Vaccinia-virus dat een vreemd antigeen aan de celmembraan produceert, levert een vaccin tegen pokken en een andere ziekte (Bernard Moss 1987). Zie ook
Externe links
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.