Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Article on other languages:

del.icio.us del.icio.us
Digg Digg
Furl Furl
Reddit Reddit
Rojo Rojo
Add to OnlyWire
Duitsers worden gedeporteerd uit het Sudetenland.
Duitse bevolking en Duits taalgebied in centraal Europa, 1910-1930.
Staatsgrenzen zoals op 1 januari 1931.

Met de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog[1] wordt de verdrijving, deportatie en etnische zuivering bedoeld van Duitsers (zowel Volksduitsers, ethnische Duitsers, als Rijksduitsers, Duitse staatsburgers) uit (resp. in) zowel de officiële vooroorlogse oostelijke provincies van Duitsland - die in 1945 aan Polen, Tsjecho-Slowakije of Sovjet-Rusland werden toegewezen door de Conferentie van Potsdam - als uit andere delen van (met name oostelijk) Europa.

De verdrijving van minstens 12 miljoen Duitsers vond voornamelijk plaats tussen eind 1944 (begin 1945) en 31 december 1948. De dodelijke slachtoffers onder hen vielen ten gevolge van de verdrijving worden in aantal geschat tussen 300.000[2] en 2,5 miljoen[3].

In meerdere landen in vooral Centraal- en Oost-Europa, vooral Tsjecho-Slowakije, Polen en de Sovjet-Unie, werd er na de Tweede Wereldoorlog een beleid opgesteld voor het uitwijzen van Duitsers. In eerste instantie vonden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de verdrijvingen noodzakelijk om te zorgen voor etnische homogeniteit. Uiteindelijk is een groot deel van de Duitsers die voor de oorlog in Oost-Europa woonden gevlucht. In 1950 was het totale aantal etnische Duitsers dat nog steeds in Oost-Europa woonde zo'n 2,6 miljoen. Dat is ongeveer 12 procent van het aantal van voor de oorlog.[4]

Inhoud

Uitdrijvingen per land

Voormalige Duitse gebieden in het oosten

Territoriale verliezen van Duitsland van 1919-1946.

Op de Conferentie van Jalta besloten de geallieerde leiders de ten oosten van de Oder-Neisselinie gelegen Duitse provincies en gebieden tot Pools of Sovjet-Russisch grondgebied te maken. In deze Herwonnen Gebieden, zoals deze territoria door de propaganda van Polen genoemd werd, werd vanaf voorjaar 1945 begonnen met het uitdrijven van de Duitse bevolking. Daar waar in enkele van deze gebieden voor de oorlog soms nog een kleine Poolse minderheid bestaan had (Opper-Silezië, gedeelte Mazurië), kwam er nu een Poolse of Russische meerderheid voor in de plaats. Naast de uitdrijving van de Duitsers waren de oorzaken hiervan dat de Duitsers tijdens de oorlog miljoenen Polen als dwangarbeiders naar de Duitse industriegebieden haalden en dat Polen werden uitgewezen uit de gebieden die in het oosten waren geannexeerd door de Sovjet-Unie.

Het grootste gedeelte van de verdrijving betrof de voormalige Duitse provincies Pommeren, Silezië, Neumark (oostelijk Brandenburg), oostelijk Vrijstaat Saksen (gebied Reichenau), Oost-Pruisen, alsmede de voor 1939 reeds betwiste gebieden Memelland, Danzig en "Sudetenland" (etnisch-Duitse delen van Bohemen, Moravië en voorheen Oostenrijks Silezië).

Hongarije

Op de Conferentie van Potsdam was door de geallieerde leiders besloten dat niet alleen de Duitsers die in Polen en Tsjecho-Slowakije verbleven, maar ook de Duitsers in Hongarije terug naar Duitsland moesten. Schattingen van het totale aantal Duitsers dat verdreven is uit Hongarije liggen tussen de 180.000 en 200.000. Dat in de akkoorden van Potsdam ook Hongarije genoemd werd kwam voor velen als een verrassing. Waar Polen en Tsjecho-Slowakije officieel aan de winnende kant van de oorlog stonden, was Hongarije als bondgenoot van Nazi-Duitsland een verliezer. In Hongarije was na de oorlog ook nog niet begonnen met de uitdrijving van Duitsers, dus waar de akkoorden in Polen en Tsjecho-Slowakije een bevestiging waren van wat al gebeurde, was het in Hongarije het begin van de etnische zuivering. Het idee van de uitdrijvingen werd vooral gesteund door de communisten, die op deze manier het idee van Stalin van nieuwe staten zonder minderheden werkelijkheid zagen worden. De meeste Hongaren waren echter tegen de uitdrijvingen. Waar de Duitsers in Tsjecho-Slowakije en Polen gezien werden als mogelijke politieke bedreiging voor de staat, was de Hongaarse overheid minder wraakzuchtig.

De belangrijkste reden voor het op de agenda zetten van het uitdrijven van Duitsers uit Hongarije tijdens de Conferentie van Potsdam lag in Tsjecho-Slowakije. Al in 1943 had de Tsjecho-Slowaakse president in ballingschap Edvard Beneš bedacht dat samen met de Duitsers ook de Hongaarstalige bevolking uit Slowakije verdreven moest worden. Hiervoor had Beneš de steun van de Sovjet-Unie[5], maar niet van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Door druk van de Sovjet-Unie werd er op de conferentie besloten tot het verdrijven van de Duitsers uit Hongarije, om "ruimte te maken" voor de Hongaren die uit Slowakije kwamen.

Het eerste transport van Duitsers vanuit Hongarije vond plaats op 19 januari 1946. Duitsers uit de omgeving van Boedapest, onder wie de familie van Joschka Fischer, werden gedeporteerd. In juli van hetzelfde jaar waren ongeveer 120.000 Duitsers verdreven uit Hongarije. Uiteindelijk eindigde de uitdrijving van Duitsers uit Hongarije in juni 1948. Volgens verschillende schattingen lag het totale aantal gedeporteerden toen rond de 180.000. Volgens de officiële cijfers van de Verenigde Staten waren het er in totaal 175.591.

Litouwen

Het Memelland, een deel van Oost-Pruisen dat sinds 1923 deel uitmaakte van Litouwen, werd in 1939 geannexeerd door nationaalsocialistisch Duitsland, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog werd het gebied geannexeerd door de Sovjet-Unie en weer bij Litouwen gevoegd. De meeste Duitse inwoners van de regio vluchtten naar Duitsland. De Duitsers die achterbleven werden met treinen gedeporteerd in 1946. Etnische Litouwers en inwoners uit andere Sovjet-staten vervingen de verdreven Duitsers. Een aantal Duitse zwerfkinderen, de zogenaamde Wolfskinder, werd opgenomen in Litouwse gezinnen.

Nederland

Zie Operatie Black Tulip voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In september 1946 werd door de Nederlandse regering de Operatie Black Tulip gestart. Deze had ten doel ongeveer 25.000 Duitsers, waarvan de meesten hier al lang voor de Tweede Wereldoorlog woonden en een gezin hadden, het land uit te zetten. Na veel kritiek, waaronder van de westelijke geallieerden en de Katholieke Kerk in Nederland (kardinaal De Jong) werd de operatie al snel afgeremd en uiteindelijk stopgezet. In totaal zijn er 3.691 Duitsers gedeporteerd.[6]

Tsjecho-Slowakije

Voorgeschiedenis

Verspreiding van Sudeten-Duitsers over Tsjechië.
Gebieden met een Duitse bevolking boven 90 % van het totaal. De hoofdstad Praag had ook een aanzienlijke Duitse minderheid vanaf de Middeleeuwen tot ongever juni 1945.

Al vanaf de 13e eeuw leefde er een grote groep Duitsers in Bohemen en Moravië, twee van de landen die tegenwoordig onderdeel zijn van de Tsjechische Republiek. Deze Sudeten-Duitsers, genoemd naar de bergketen Sudeten, woonden vooral langs de noordelijke, westelijke en zuidelijke grens van het huidige Tsjechië. Al in 1918, toen de staat Tsjecho-Slowakije gesticht werd, hadden Sudeten-Duitse politici voorgesteld om Sudetenland geen onderdeel te laten zijn van Tsjecho-Slowakije maar van Duits-Oostenrijk. Bij het Verdrag van Saint-Germain in 1919 werd echter besloten om de gebieden toch aan Tsjecho-Slowakije toe te voegen. Bij het vaststellen van de Tsjecho-Slowaakse grondwet in 1920 kregen de minderheden, waaronder de Duitsers, verschillende rechten. Bijvoorbeeld, in gebieden waar meer dan 20% van de bevolking Duitssprekend was, werd het toegestaan om Duitstalig onderwijs te geven.[7]

In de jaren 20 hadden een aantal Duitstalige politieke partijen grote invloed in de Tsjecho-Slowaakse politiek en traden zij zelfs toe tot de regering. Aan het begin van de jaren 30 kregen als gevolg van de economische tegenspoed echter de Duitse nationalisten een grotere aanhang en deze partijen zochten steun bij de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) in de Weimarrepubliek. In 1933 werd als gevolg hiervan de Sudetenduitse Partij (SdP) opgericht door Konrad Henlein. Met hulp van de NSDAP wist de SdP veel Sudeten-Duitsers achter zich te krijgen en tijdens de verkiezingen van 1935 stemde 65% van de Duitstalige Tsjecho-Slowaken op de SdP.[8] In de volgende jaren groeide de populariteit van de SdP alleen maar, en na de anschluss van Oostenrijk door Nazi-Duitsland was ongeveer 90% van de Sudeten-Duitsers aanhanger van de Sudetenduitse Partij. Op 15 september 1938 zei Henlein dat de enige oplossing voor de crisis waarin Tsjecho-Slowakije verkeerde was om Sudetenland te laten aansluiten bij het Derde Rijk.[7][8] Niet veel later, op 29 september, werd het Verdrag van München gesloten en werd Sudetenland onderdeel van nationaalsocialistisch Duitsland.

De grote afkeer van de Tsjechen en Slowaken tegen de nationalsocialisten in het bijzonder en de gehele Duitse bevolking in het algemeen werd vooral veroorzaakt tijdens de bezetting. De nazileider Reinhard Heydrich werd door het Tsjechische verzet vermoord, wat leidde tot wraakacties door de Gestapo. Tijdens deze acties werden onder andere de dorpen Ležáky en Lidice van de aardbodem weggeveegd. Dit leidde weer tot een groei van het Tsjechische verzet en een nog grotere haat jegens de Duitsers.

Verdrijvingen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond de Tsjecho-Slowaakse regering in ballingschap zich in Londen. De president van voor de oorlog, Edvard Beneš, bedacht daar, als onderdeel van de Beneš-decreten, dat de minderheden uit Tsjecho-Slowakije verdreven zouden moeten worden als de oorlog afgelopen zou zijn; met name Duitsers in Bohemen, Moravië en Moravisch Silezië, maar ook Hongaren in zuidelijke gebieden van het latere Slowakije. In eerste instantie waren de grote Westerse geallieerde landen tegen. Toen Sovjet-leider Stalin echter aangaf achter de plannen te staan veranderden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk van mening en steunden zij Beneš ook.

Op 5 april 1945 gaf de Tsjecho-Slowaakse regering voor het eerst sinds de verbanning weer een verklaring. Onderdeel daarvan was de melding dat de regering zichzelf het recht gaf het Tsjecho-Slowaaks burgerschap te geven aan of af te nemen van Duitstalige inwoners. In principe kregen alleen de Duitsers die niet bij de SdP aangesloten waren geweest of zich verzet hadden tegen de bezetting het burgerschap; in de praktijk betekende het dat alleen communisten een pas als staatsburger van Tsjechoslowakije kregen. Zelfs Sudetenduitse joden die uit de concentratiekampen terugkeerden werden uitgewezen.

Tot de Conferentie van Potsdam was er sprake van "wilde verdrijvingen". De haat jegens de Duitsers leidde tot de uitdrijving van Duitsers door Tsjechen - georganiseerd in milities - die geen rekening hielden met de nog steeds bestaande beschermingen en universele mensenrechten van minderheden. Ongeveer 700.000 tot 800.000 Duitstaligen hadden voor de Conferentie van Postdam het land al verlaten uit angst of waren gewelddadig verdreven.[9] Tijdens de "wilde verdrijvingen" werden de meeste Duitsers naar de Sovjetzone van Duitsland gedeporteerd. Op 24 februari 1946 begonnen de "officiële" verdrijvingen uit Tsjecho-Slowakije. In eerste instantie werden 2.400 Duitsers per dag naar de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland gestuurd, maar dit aantal werd al snel opgeschroefd en vanaf de zomer werd er ook naar de Sovjetzone gedeporteerd. Tot 30 september 1946 werden er in totaal bijna 1,7 miljoen Duitsers gedeporteerd door de Tsjecho-Slowaakse overheid. Op die datum werd er gestopt met de deportaties omdat de Amerikanen gevraagd hadden een pauze in te lassen. In eerste instantie verwachtte de regering dat de verdrijvingen later weer zouden worden voortgezet, maar dit is nooit gebeurd. Volgens de gegevens van het Tsjecho-Slowaakse ministerie van binnenlandse zaken zijn er in totaal 2.165.135 Duitsers verdreven.[10] De meesten van de 300.000 overgebleven Duitsers zijn in de eerstvolgende jaren ook geëmigreerd naar Duitsland.

Met name over de wraakzuchtige bloederigheid van de "wilde verdrijvingen" in (het huidige) Tsjechië in 1945, maar ook over die van de eerste officiële deportaties, waren vele Russische legerofficieren totaal verbijsterd.[11]

Redenen en rechtvaardiging van de verdrijvingen

Vanwege de de complexe geschiedenis van de regio en de verschillen tussen de verschillende landen in (Centraal-)Europa is het moeilijk een eenduidige reden te benoemen voor de verdrijvingen. Hieronder worden enkele redenen genoemd die de verdrijvingen van de Duitsers mogelijk hebben gerechtvaardigd. Dit is dus geen volledige lijst.

Verlangen naar het creëren van staten zonder minderheden

Door het Poolse en Tsjechische volk werd al langer geprobeerd de expansie van de Duitsers in oostelijke richting tegen te gaan.[12] Voor de Tsjechen was het aan het begin van de oorlog, bij de annexatie van hun land door de Duitsers, duidelijk geworden dat er geen stabiel land kon bestaan zonder etnische homogeniteit. Dat Duitsland in de oorlog verslagen was bood nu voor Tsjechië een uitgelezen mogelijkheid deze homogeniteit te creëren en de minderheden te verdrijven. Voor dit doel werden niet alleen de Sudetenduitsers maar ook de Hongaren, wonend in het zuiden van Slowakije, gedwongen te vluchten. Ditzelfde gebeurde in andere landen, omdat er gedacht werd dat minderheden zouden zorgen voor onrust binnen het land.[13]

Een extra reden om te verlangen naar staten zonder minderheden, was het voorkomen van etnisch geweld. Hierover zei Winston Churchill op 15 december 1944 in het Britse Lagerhuis: "Expulsion is the method which, so far as we have been able to see, will be the most satisfactory and lasting. There will be no mixture of populations to cause endless trouble... A clean sweep will be made."[14] Vrij vertaald vanuit het Engels komt dit erop neer dat Churchill beredeneert: "Verdrijving is de enige methode die, zoals we hebben kunnen zien, het meest bevredigend en blijvend zal zijn. Er zal geen mengeling van bevolkingen zijn die eindeloos problemen veroorzaakt. Er zal schoon schip worden gemaakt."

Wantrouwen en vijandschap ten opzichte van de Duitse gemeenschappen

Onder de bevolking van onder andere Pommerellen, Tsjechië en oostelijk Opper-Silezië bestond de angst dat Duitsers ontrouw waren tegenover de Slavische inwoners. De angst was gebaseerd op het feit dat etnische Duitsers zich tijdens, en zelfs na, de oorlog openlijk de nazi's steunden. Het gevolg hiervan was dat de politiek er niet mee akkoord ging dat de Duitsers bleven wonen in de betreffende gebieden. Op deze manier, door het verdrijven van de Duitsers, werd door de Polen nagestreefd gebeurtenissen als de Tweede Wereldoorlog in de toekomst te voorkomen.

Het ongeldig maken van eventuele toekomstige territoriale claims van Duitsland

Door het verdrijven van de etnische Duitsers uit de andere landen, zoals Polen en Tsjecho-Slowakije, zou er in de toekomst geen basis meer bestaan voor Duitsland om de betreffende gebieden op te eisen. Op deze manier werd een herhaling van de gebeurtenissen in Sudetenland voorkomen. De nationaalsocialisten hadden dat gebied geclaimd vanwege de aanwezigheid van een etnisch Duitse minderheid die daar woonde.[15] Als dit soort minderheden er niet meer zouden wonen zou er voor Duitsland een reden wegvallen deze gebieden te claimen.

De Vertriebenen in de Bondsrepubliek

In de Bondsrepubliek Duitsland organiseerden de uitgedrevenen en vluchtelingen zich in Vertriebenenverbände (per huidige deelstaat) en Landsmannschaften (per voormalig Duits gebied). In 1957 ontstond de overkoepelende Bund der Vertriebenen. In de communistische Duitse Democratische Republiek waren soortgelijke verenigingen verboden, ofschoon ook daar veel betrokkenen leefden. Van de totale bevolking van Duitsland vóór 1945 woonde ruim een vijfde in de later verloren gebieden. Veel huidige Duitsers hebben dus voorouders uit die gebieden. Gezien de grote getallen van uitgedrevenen en vluchtelingen zijn maar weinigen lid van een organisatie geworden, in 1965 waren het maar een procent.

Nadat de Bund der Vertriebenen langere tijd vooral het onrecht van de uitdrijving benadrukte, poogt de huidige voorzitster Erika Steinbach (sinds 1998) meer met de Oost-Europese landen samen te werken, met relatief weinig succes.

Noten

  1. ^ (en) The Expulsion of the "German" Communities from Eastern Europe at the End of the Second World War, European University Institute, Florence, 2004
  2. ^ Schatting van o.a. Polen, Tsjechië en de Sovjet-Unie.
  3. ^ Schatting van o.a. West-Duitsland, Luxemburg en de Amerikaanse historicus Alfred de Zayas.
  4. ^ (en) Wayne Slater, Richard (1 juli 1997). The Penguin Historical Atlas of the Third Reich . Penguin. ISBN 978-0140513301.
  5. ^ (hu) Tóth, Ágnes (2005). The Relocation of the Germans. In: Ágnes Tóth (ed.): National and Ethnic Minorities in Hungary, 1920-2001 . Boulder, Colorado: 253-312. ISBN 0-88033-596-1.
  6. ^ (nl) Black Tulip - Andere Tijden 13 september 2005 (tekstdocument), VPRO Geschiedenis.
  7. ^ a b (cs) Dejmek, Jindřich; Jan Kuklík; Jan Němeček. (1998). Kauza: tzv. Benešovy dekrety. Historické kořeny a souvislosti. . Praag:Historický ústav AV ČR. ISBN 80-7286-001-1.
  8. ^ a b (pl) Majewski, Piotr (2001). Edvard Benes i kwestia niemiecka w Czechach . Warschau:DiG. ISBN 83-7181-210-8.
  9. ^ (en) Naimark, Norman (19 september 2002). Fires of Hatred: Ethnic Cleansing in Twentieth-Century Europe . Londen:Harvard University Press. ISBN 978-0674009943.
  10. ^ (cs) Staněk, Tomáš (1991). Odsun Nemcu Z Ceskoslovenska, 1945-1947 . Praag:Academia. ISBN 9788020003287. (non vidi)
  11. ^ (nl) Het vaderland ontduitsen, NRC Handelsblad, 20 april 2002
  12. ^ Als voorbeeld kan hiervoor het boek "Het Nieuwe Europa: Het Slavische Standpunt" (Nova Evropa. Stanovisko Slovanske.) uit 1920 van Tomáš Masaryk genoemd worden. Hierin spreekt hij over de Duitse "Drang nach Osten", die hij afkeurt. Masaryk is voor de onafhankelijkheid van de nieuw te vormen republiek Tsjecho-Slowakije. Daarbij ziet hij deze republiek, samen met onder andere de Poolse en Joegoslavische staten, als barrière tegen de Duitse agressie ten opzichte van de Sovjet-Unie. (Tadayuki Hayashi. Masaryk’s ‘Zone of Small Nations’ in His Discourse during World War I, Slavic Research Centre, 30 maart 2007)
  13. ^ (en) Redrawing Nations: Ethnic Cleansing in East-Central Europe, 1944-1948, Rainer Mackensen, in: Population and Development Review, Vol. 29, 2003.
  14. ^ (en) Archief september 2003, The Review - The weblog of DaleFranks.com, september 2003
  15. ^ (en) Essay, Research Paper: The Sudetenland, CustomEssayMeister.com, bezocht 13 juni 2008.
 

This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.