|
Article on other languages:
|
Viscositeit is de 'stroperigheid' van een vloeistof of van een gas. Preciezer uitgedrukt: de eigenschap van een fluïdum die aangeeft in welke mate deze weerstand biedt tegen vervorming door schuifspanning. Zo is water een voorbeeld van een vloeistof met een lage viscositeit, honing een voorbeeld van een vloeistof met een hoge viscositeit. Het vloeigedrag van stoffen wordt bestudeerd in de rheologie. De naam viscositeit is afgeleid van de latijnse naam voor de maretak, waarvan in vroeger tijden 'vogellijm' werd gemaakt.
DefinitieStelt u zich twee evenwijdige platen voor op een afstand dx, met een vloeistof ertussen. Als de platen t.o.v. elkaar schuiven ontstaat er een snelheidsgradiënt du/dx tussen de platen. Daarvoor is een kracht nodig, of beter: een schuifspanning (τ, dit is de kracht gedeeld door de oppervlakte, met als eenheid Pa). Als de snelheidsgradiënt klein genoeg is, is de schuifspanning evenredig met de snelheidsgradiënt: Hierin is η de viscositeit van de vloeistof. De eenheid van viscositeit is de Poiseuille (Pa.s = Pascal * seconde). De bovenstaande relatie is alleen geldig bij laminaire stroming, d.w.z. als de stroomsnelheid laag genoeg is. Bij te hoge stroomsnelheid ontstaat turbulentie. Dan verdwijnt de lineaire relatie tussen snelheidsgradiënt en schuifspanning. Voorbeelden en eigenschappenOm de viscositeit van vloeistoffen ten opzichte van water te vergelijken gebruikt men de millipoiseuille of centipoise (mPa.s). De viscositeit van water van 20 °C = 1,0020 mPa.s; bloed = 10 mPa.s; glycerine = ca. 1000 mPa.s; pindakaas = 150.000 tot 250.000 mPa.s. Gassen hebben doorgaans een ongeveer 100 maal lagere viscositeit dan vloeistoffen. De viscositeit van gassen wordt in micropoiseulle uitgedrukt, aardgas heeft een viscositeit tussen 1000 en 1400 μPa.s. De viscositeit van een vloeistof is sterk afhankelijk van de temperatuur: bij hogere temperaturen zijn veel vloeistoffen minder viskeus dan bij lagere temperaturen. Bij gassen is dit omgekeerd: bij hogere temperatuur wordt een gas juist meer viskeus. Zeer stroperige vloeistoffen zoals bitumen lijken op een vaste stof, maar kunnen toch ook bij kamertemperatuur vloeigedrag vertonen. De vloeibaarheid van bitumen is aangetoond door middel van het pekdruppelexperiment. Bitumen is een belangrijk bestanddeel van asfalt en zorgt voor de visco-elastische eigenschappen van asfalt. Zo wordt de ribbelvorming die vaak optreedt voor de stopstrepen van druk bereden kruispunten met verkeerslichten verklaard door visco-elastische vervorming onder invloed van rem- en aanzetkrachten van het verkeer. Hierbij speelt ook de temperatuur een belangrijke rol, aangezien de stroperigheid van bitumen afneemt bij hogere temperaturen. Vloeibaar helium verliest alle stroperigheid als het beneden een bepaalde temperatuur wordt afgekoeld. Deze "supervloeibare" fase heeft allerlei bijzondere eigenschappen. Viscositeit metenEr bestaan verschillende methoden om de viscositeit van vloeistoffen te meten:
Met de tweede methode kan ook de viscositeit worden vastgesteld als functie van de afschuifsnelheid: bij gewone vloeistoffen is de gemeten kracht recht evenredig met de snelheid: de viscositeit is niet afhankelijk van de snelheid (Newtoniaanse vloeistoffen). Voor sommige vloeistoffen neemt de viscositeit bij toenemende snelheid toe, voor andere vloeistoffen neemt hij af. Met de tweede methode kan ook de opslag en verlies modulus van visco-elastische vloeistoffen worden gemeten door de buiten cilinder of plaat niet met een vaste snelheid te laten ronddraaien maar door deze met wisselende frequenties te laten oscilleren. Dynamische viscositeit (Pa.s)
Kinematische viscositeit (m2/s)Naast de dynamische viscositeit (symbool: μ) kent men de term kinematische viscositeit (ν).
EenhedenDe SI eenheid van dynamische viscositeit is de Pascalseconde: 1 Pa.s = 1 N.s/m2= 1Pl
Een oude eenheid voor kinematische viscositeit is: Stokes (1 St = 1 cm2/s) of centiStokes (1 cSt = 0.01 St = 1 mm2/s) Omrekenfactoren van andere eenheden:
Enkele waarden van viscositeiten
BulkviscositeitHet bovenstaande is een vereenvoudigende benadering die geldig is voor stromingen waarbij het fluïdum niet wordt samengedrukt. In het algemeen kunnen we de een stroming ontbinden in een deel dat geen verandering van volume teweegbrengt, en een deel dat dat wel doet. Dat laatste deel is bijvoorbeeld belangrijk bij het beschrijven van geluidsgolven. De hierboven beschreven viscositeit (de afschuifviscositeit) heeft betrekking op stromingen waarbij het fluïdum niet wordt samengedrukt of uitzet, maar er is ook een bulkviscositeit of tweede viscositeit die de spanning beschrijft ten gevolge van stromingen die de vloeistof samendrukken of doen uitzetten, zoals in het geval van geluidsgolven. Merk overigens op dat in dat geval doorgaans ook een verandering in de druk plaatsvindt. De bulkviscositeit is doorgaans veel groter dan de afschuifviscositeit, en voor vloeistofstromingen kan men vaak aannemen dat de vloeistof onsamendrukbaar is, waardoor de bulkviscositeit irrelevant wordt. Ook de beschrijving in termen van twee viscositeiten gaat nog steeds alleen op voor het geval van een Newtonse vloeistof. Zie ook: |
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.