|
Article on other languages:
|
Vulgair Latijn of volkslatijn is de gesproken vorm van het Latijn in de oudheid, in tegenstelling tot de geschreven taal, het Klassiek Latijn. Zoals elke taal heeft het Latijn zich ontwikkeld, zolang het een levende taal was. Vóór 200 v.Chr. werd het Latijn vrij zelden geschreven, maar daarna ontwikkelde zich snel een rijke literaire traditie, aanvankelijk onder sterke invloed van de Griekse literatuur. De taal nam veel Griekse woorden over in de vorm van zowel leenwoorden en leenvertalingen. In de 1e eeuw v.Chr. raakte de geschreven taal gestandaardiseerd en zou sindsdien weinig meer veranderen. Dat is het Klassieke Latijn zoals dat nog steeds op gymnasia en lycea wordt onderwezen. Naarmate in de eerste eeuwen van onze jaartelling meer en meer Etrusken, Osko-Umbriërs, Iberiërs, Galliërs, Illyriërs, Daciërs en personen van vele andere volkeren het Latijn als hun dagelijkse spreektaal overnemen, ontwikkelen zich vele dialecten van de Latijnse spreektaal, met een min of meer grote invloed van de oorspronkelijke talen van de nieuwe sprekers. Een overkoepelende benaming voor deze dialecten is het Vulgair Latijn. Omdat deze dialecten maar heel weinig op schrift werden gesteld, weten we betrekkelijk weinig ervan. De sporen ervan zijn echter te zien in de verschillende Romaanse talen die zich uit deze dialecten hebben ontwikkeld. Ook komen er in teksten in Klassiek Latijn soms "fouten" voor, die aan invloed van de spreektaal te wijten zijn. Aanvankelijk bestond er nog een grote mate van onderlinge verstaanbaarheid tussen deze dialecten en het Klassiek Latijn, maar in de tijd van de Grote Volksverhuizing werd die minder en minder en vanaf ca. 800 n.Chr. wordt de onderlinge verstaanbaarheid zo gering dat we sindsdien van verschillende "Romaanse talen" spreken. Deze dialecten vertonen wel al vroeg een aantal gemeenschappelijke kenmerken, die tot uitdrukking komen in grammaticale veranderingen (vaak: vereenvoudigingen) die (bijna) alle moderne Romaanse talen gemeen hebben t.o.v. het Klassieke Latijn. Grammaticale verschillen met het Klassiek LatijnAl vroeg zijn er enkele tendenzen te zien, die in de moderne Romaanse talen volledig de overhand hebben gekregen, zoals:
Veranderingen in woordenschatEen hele reeks klassieke woorden verdwijnt en wordt vervangen door andere woorden, die ofwel afkomstig zijn uit de substraattalen, ofwel Latijnse woorden zijn die een andere betekenis krijgen. Voorbeelden:
KlankverschuivingenEen betrekkelijk vroege klankverschuiving (waarschijnlijk 4e eeuw), die van invloed zou zijn op bijna alle Romaanse talen is de palatalisatie van de oorspronkelijk als "k" uitgesproken "c" vóór "e" en "i". "Centum" (uitgesproken "kentoem") werd "kjentoe" en vervolgens "tsjento". De "tsj" klank kon vervolgens evolueren tot verschillende andere sis-klanken, zoals "s" in het Frans. Alleen het Sardisch is van deze klankverschuiving vrij gebleven. In de Sardische dialecten wordt de Latijnse "c" nog in alle gevallen als "k" uitgesproken. Enkele eeuwen later zouden in Gallië de meeste dialecten van de "langue d'oïl" (met uitz. van Picardisch en Waals), evenals de noordelijke "langue d'oc" dialecten, nog een stap verder gaan: daar werd ook de "c" voor een "a" gepalataliseerd en uiteindelijk getransformeerd in "sj". Voorbeelden:
Een typisch kenmerk van de Gallo-romaanse dialecten en de Noord-Italiaanse dialecten is dat de Latijnse "u" ("oe") gaat worden uitgesproken als "ü". Dit geschiedde vrijwel zeker onder invloed van een Gallisch substraat. De voor het Castiliaans (het dialect dat ten grondslag ligt aan de Spaanse standaardtaal) en het Gascons kenmerkende vervanging van een Latijnse "f" aan het begin van een woord door een "h" (zoals in hoja uit folium en hermoso uit formosus) is waarschijnlijk het effect van een Baskisch of Iberisch substraat.
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.